Lessen voor docenten (5): Afstuderen; een proeve van bekwaamheid. Maar voor wie?

Alard Joosten geeft tips aan docenten: begeleiden van afstudeerders vraagt om maatwerk.

In een serie didactische lessen geeft trainer en adviseur Alard Joosten tips aan docenten in het hbo over lesgeven en begeleiden. Les 5:  afstuderen.
 
De laatste fase van de studie is aangebroken. Studenten gaan geheel zelfstandig een complex probleem of vraagstuk analyseren en oplossen, zoals ze dat later ook in de beroepspraktijk moeten doen. Als het goed is, maken ze bij deze opdracht gebruik van al hun opgedane kennis en ervaring uit hun opleiding. Voor hen de laatste proeve van bekwaamheid voordat ze hun felbegeerde diploma in ontvangst mogen nemen. Voor de meeste docenten, ook een proeve van bekwaamheid in de rol van afstudeerbegeleider. 
Veel begeleidingsgesprekken zien eruit als een monoloog. De afstudeerder zit braaf tegenover zijn begeleider die vertelt wat er moet gebeuren, wat de eisen aan de resultaten zijn, wat hij vindt van het geleverde werk etc. Hoezo, zelfstandig een opdracht op eindniveau uitvoeren? 
De begeleider neemt zijn student vaak aan de hand, met als resultaat dat de afstudeerder zijn afstudeerrapport schrijft voor de begeleider, en niet voor hemzelf en/of een opdrachtgever. En zo lijkt het net de of de begeleider telkens zijn eigen werk aan het nakijken is. 
Het begeleiden van afstudeerders vraagt om maatwerk, gegeven de randvoorwaarden die er zijn. 
En daarbij is de student zelf altijd verantwoordelijk voor zijn vorderingen en prestaties; de student heeft de regie over zijn leerproces. De afstudeerbegeleider activeert de student in zijn regierol. 
Dat pleit voor een degelijk intakegesprek waarin je de beginsituatie van de afstudeerder goed in kaart brengt (studieloopbaan, sterktes en zwaktes, wederzijdse verwachtingen). Afhankelijk daarvan bepaal je als docent je begeleidingsvorm. Die hangt dus sterk af van datgene wat de afstudeerder vraagt en nodig heeft, maar ook van de kwaliteit van het opgeleverde werk. Op die manier is de begeleiding altijd situationeel- of persoonsafhankelijk. 
Loopt het mis of fout? Laat de student zelf analyseren wat er aan de hand is. Hij is immers de enige die over deze informatie beschikt. Analyseren betekent vooral wat-vragen stellen, waarmee je de verantwoordelijkheid voor de analyse bij de student laat (‘wat vind je lastig?’). Op die manier laat je als begeleider de verantwoordelijkheid écht waar hij hoort en is het afstuderen een echte proef op de som voor het werk in de latere beroepspraktijk.
Leestips voor afstudeerbegeleiding:
Kallenberg, T. e.a. (2014). Leren (en) doceren in het hoger onderwijs. Hoofdstuk 13, paragraaf 13.4 Begeleiden van stage- en afstudeeropdrachten. Den Haag: Boom Lemma.
Kralingen, van R. (2006). Eerste hulp bij didactische ongelukken. Paragraaf 1.11 Eisen stellen aan gespannen scriptiestudenten. Houten: Bohn, Stafleu Van Loghum.

Alard Joosten (1966) werkte als docent en trainer Taalbeheersing voor verschillende hogeronderwijsinstellingen. Hij heeft 15 jaar gewerkt bij de Hogeschool Utrecht als docent, opleidingsmanager en kwaliteitszorgmedewerker. Sinds 2014 is hij zelfstandig ondernemer. Met zijn bedrijf ALtraining en advies (www.altraining.nl) traint en adviseert hij opleidingen op professionaliseringskwesties, waarbij hij zich vooral toelegt op didactiek en audits.
 
Volg ons op Instagram
Reageer!
Reageer!
Deel via...