Interview

Werken in je vak, naast je baan als docent? ‘HU, beloon dat!’

Jip Lubbering en vera Habes in hun klaslokaal. Foto: Kees Rutten

Veel docenten aan de HU willen dolgraag werken naast hun baan op de hogeschool. En de HU profileert zich als een instelling waar docenten dat doen. In praktijk lukt het er slechts enkelen. Jip Lubberink en Vera Habes deden onderzoek naar hun eigen afdeling Verpleegkunde. ‘Wil een docent ernaast blijven werken? Maak daar dan een carrièrepad van’

Jip Lubberink (42) werkt vier jaar aan de HU en werkt twee dagen per maand als algemeen verpleegkundige. Hij verzorgt wonden, wast lichamen, helpt met aankleden en dient medicatie toe.Vera Habes (58) is al twintig jaar verbonden aan de HU (24 uur per week) en daarnaast vaak twee dagen per week op de afdeling neurologie van het Diakonessenhuis in Utrecht. Ze ziet veel herseninfarcten en bloedingen. ‘Ik doe alles wat een verpleegkundige doet. Maar ik moet me bijzonder grondig inlezen. Heeft iemand COPD, diabetes, kan de patiënt slikken, hoe is het zuurstofgehalte ’s morgens en is er sprake van dementie? Zonder die informatie kan ik geen juiste beslissingen nemen.’

Midden in de praktijk

‘Doordat we nog werken, weten we precies wat studenten doormaken’, vertelt Jip. ‘We zijn niets vergeten van waar onze studenten nu tegenaan lopen.’

Vera: ‘Een lastig aspect aan ons vak is bijvoorbeeld het bedenken van wat prioriteit heeft. Wanneer iemand suf is, is hij dan lekker slaperig? Of is ie aan het uitdrogen? Ik moet inschatten wanneer ik iemand kan laten, of juist in de hand moet knijpen.’

Jip: ‘Je wordt vaak door meerdere patiënten tegelijk geroepen. Als je moet kiezen tussen een dame die benauwd is of een jongeman die misselijk is, ga je naar de dame. Maar als de misselijke patiënt ook niet meer kan bewegen, geef je die de voorkeur. Je bent ook voortdurend aan het afwegen: moet het nu of kan het straks?’

De ethische dilemma’s

‘Vorige week had mijn patiënt haar ziekenhuiskamer kort en klein geslagen’, vertelt Jip. ‘De dag daarop vertelde ik dat aan mijn studenten. “Waarom zou ze dat doen?”, vroeg ik aan ze. Het antwoord was dat ze alcoholist was en voor de behandeling een cold turkey had door het stoppen met drinken. Dat soort voorbeelden uit de praktijk heb ik voortdurend en mijn studenten vinden die inspirerend.’

Vera: ‘Ja, dat geldt ook voor mij. Je leert toch het beste met je onderbuik, door het te voelen. Goede verhalen werken effectief. Hoewel het soms ook een nadeel kan hebben. Want je wil als docent toch het liefst vragen naar wat de studenten zelf hebben meegemaakt op hun stages.’

Ethische dilemma’s zijn er ook. Sta je je patiënt toe om meer bezoek te ontvangen dan het protocol voorschrijft? We zijn geneigd dat te doen, want afleiding is de beste pijnbestrijding en er is een extra paar ogen. Maar rust is belangrijk, ook voor anderen op de kamer.’

Vera: ‘En als je een uitzondering maakt, kun je wachten op de opmerking “Bij Vera mocht het wel”. Vaak overleggen we even met iedereen. “Vind je dit te vermoeiend? Dan sturen we er drie de kamer uit.”’

Meebewegen met je student

Vera: ‘Als je je vak blijft uitoefenen als docent, volg je vanzelf de ontwikkelingen in het vak. Want, en dit moet je misschien niet opschrijven, maar toen ik twintig jaar geleden begon, was het werk zoveel rustiger en overzichtelijker vergeleken met vandaag.’

Jip: ‘Alles verandert steeds. Je moet zo ontzettend veel meer onthouden dan vroeger. Studenten zijn wel eens bevreesd dat ze dat niet genoeg kunnen. Maar daar hebben we trucjes voor. Als je onze werkschriftjes ziet, met kleurtjes, kolommen, bullets… alle cruciale zaken schrijven we op. Daarnaast vergeten we ook ontzettend veel. Na jaren herkennen patiënten ons bijna altijd, maar andersom nagenoeg nooit. We maken het verschil en dat wil ik mijn studenten graag meegeven.’

Vera: ‘We schrijven op wat nodig is en de rest doen we op intuïtie en doorlopend klinisch redeneren.  We hebben veel meters gemaakt dus veel beslissingen nemen we automatisch. Dat neemt niet weg dat we ons elk jaar weer moeten verdiepen in nieuwe software-systemen, medicijnen, apparaten en ziektebeelden.’

Jip: ‘Alles gaat ook veel sneller. Vroeger lag je na een gebroken heup vijf dagen te herstellen. Nu ben je met een beetje geluk binnen zes uur weer thuis. Labuitslagen, gesprekken, medicatie: we moeten alles bijhouden in het elektronisch patiëntendossier.’

Vera: ‘Door de vergrijzing hebben onze patiënten nu ook veel meer kwalen tegelijk. Een enkele patiënt kan tegelijk COPD, hartfalen, vaatlijden, diabetes, een hersenschudding en dementie hebben.’

Je twijfels laten zien

‘Studenten denken vaak dat docenten nooit weifelen’, zegt Jip. ‘Maar dat doen we net zo goed, net als zij. En we raken ook onzeker. Door intimiderende collega’s bijvoorbeeld.’

Vera: ‘Je hebt in elk team wel een collega die elk detail controleert. Als ik weet dat die na mij komt, vul ik mijn rapportage extra goed in. En als ik haar tegenkom in de fietsenstalling kan ze zomaar tegen me zeggen dat ik vorige keer een verpakking was vergeten weg te gooien. Dan voel je je even heel klein, en dat hebben onze studenten ook.

De crux is dan om je studenten gerust te stellen. Onzekerheid hoort erbij. Maar ook door hen erop te wijzen hoe handig het is om zo’n pietje-precies op de afdeling te hebben rondlopen. Uiteindelijk zal zij misschien net degene zijn die ervoor zorgt dat een patiënt wordt gered.’

Vera: ‘Ik kan ook nog de plank misslaan. Laatst wilden we een katheter aanbrengen bij een mevrouw met een delier. Ze was onrustig, bleef maar trappen en al onze pogingen faalden. Ten slotte stelde mijn veel jongere collega voor om haar gewoon even op de wc te zetten. Dat bleek de oplossing. Mijn studenten horen graag zo’n verhaal.’

De combinatie met Hogeschool Utrecht

Tot zover de voordelen van docenten die naast hun baan aan de HU in de praktijk werkzaam blijven. De HU ziet die overigens zelf ook en laat zich graag voorstaan op het feit dat haar onderwijzend personeel met zijn poten in de modder staat. En toch lukt het de meeste docenten helemaal niet. Wat gaat hier mis?

Jip: ‘Uit ons onderzoek blijkt dat 70 procent van de docenten ernaast zou willen werken. Slechts 5 procent doet het daadwerkelijk. Dat heeft te maken met tijd en geld.’

Het onderzoek bestond uit een enquête onder ongeveer vijftig docenten van de bachelor Verpleegkunde, onder wie verpleegkundigen, bewegingswetenschappers en artsen.
Het initiatief kwam van een werkgroep van docenten met een combifunctie binnen de opleiding. Zij brachten belemmerende en bevorderende factoren in kaart. De resultaten dienen als basis voor gesprekken met het MT, de instituutsdirecteur en uiteindelijk het college van bestuur.

Vera: ‘Ten eerste heb je roostering. Je kunt aan de HU zeggen dat je alleen op maandag tot en met woensdag beschikbaar bent, maar veel overleggen vinden plaats op andere dagen, waar je ook bij aanwezig wilt zijn. Datzelfde geldt voor die van het ziekenhuis.

Loyaliteit speelt ook een rol. Je wilt je collega’s graag vervangen als ze in nood zitten, maar vervolgens kom je zelf in de knoei. Of je voelt je tekort schieten als je een dienst weigert over te nemen. Je wilt ook niet zeggen: “Jongens, ik heb een baan als docent, dus die nachtdiensten wil ik niet.”’

Jip: ‘Het communiceren erover neemt ook veel tijd in beslag. Je hebt over alles dubbele communicatie, zit in allerlei WhatsApp-groepen en woont alle vergaderingen bij.’

Niet vol te houden

Uit hun onderzoek blijkt dat docenten de ‘combibaan’ een tijdje proberen, maar het niet volhouden. Jip: ‘De HU is eigenlijk ook een beetje een gouden kooi: je verdient meer dan in het ziekenhuis, de uren zijn prettiger, je hoeft niet zo te rennen, er niet voortdurend te zijn en je hebt autonomie.’

Vera: ‘Je moet inderdaad wel erg veel hart voor het vak hebben, wil je kiezen voor het militante regime van het ziekenhuis. Niemand die zich daar ooit verslaapt. Sterker nog, iedereen is er standaard een half uur te vroeg, omdat je er de hele dag last van hebt als je je niet goed ingelezen hebt.

Vera: ‘Eerlijk? Als ik jonge kinderen had, zou ik niet doen wat ik nu doe. Dan is het gewoonweg te onregelmatig en te zwaar. Bovendien heb je op die leeftijd misschien nog een zware hypotheek die je maandelijks moet ophoesten. Aantrekkelijker is dan om je op de HU te richten.’

HU, beloon het

Vera: ‘Over niet al te lange tijd ga ik met pensioen. Maar daarvoor zou ik dolgraag een lans breken voor collega’s die graag met één been in de praktijk willen staan. Er zou een pad voor ze moeten bestaan. De HU beloont hun ambitie nu op geen enkele manier. Geen bonus, hogere schaal of andere titel. Waarom is dat er voor onderzoek wel? Het college van bestuur vindt dit toch belangrijk? Onze directeur doet wat ze kan, maar zij moet ook handelen binnen de bestaande kaders.’

Jip: ‘Ja, in elke vorm van communicatie heeft de HU het over de drie-eenheid onderwijs, onderzoek en praktijk. Naast onderwijs kiest men hier al snel voor onderzoek. Het lijkt wel of ze vinden dat de praktijk een stap terug is. Er is inderdaad geen pad, geen vorm van erkenning. Bij artsen heb je dat wel, op de universiteit. Zouden we hier niet de titel Lector Practitioner kunnen introduceren?’

De afdeling Verpleegkunde

Vera: ‘Ik kan niet genoeg benadrukken dat ik geen kritiek wil uiten op onze collega’s of op ons management. Die doen allemaal wat ze kunnen en werken keihard.’ Jip: ‘Eva (Povel, directeur, red.) heeft zelfs een hele dag op mijn afdeling meegelopen en stelde honderd vragen over het vak, dat vond ik te gek.’ Vera: ‘Maar we gunnen iedereen die dat wil om in de praktijk te kunnen werken, ongeacht je gezinssituatie of je financiële positie. Want het maakt je tot een inspirerende docent die in staat is volkomen mee te voelen met je student.’

Jip woont samen met zijn vriend in Lunetten. Vera woont samen met haar man in Utrecht Oost. Ze heeft twee volwassen dochters.