Het kabinet wil dat hoger onderwijsinstellingen zoals de HU nauwer gaan samenwerken met Defensie, blijkt uit een nieuwe nota. Over de precieze voorwaarden wordt nog onderhandeld. ‘Je kan niet zomaar op iemand schieten.’
Het budget voor het ministerie van Defensie moet flink stijgen. De komende jaren gaat de financiering al met enkele miljarden euro’s omhoog, tot uiteindelijk 19 miljard euro extra in 2035.
Dat geld gaat deels naar onderzoek en innovatie. Ook universiteiten en hogescholen kunnen daaraan een bijdrage leveren. En het lijkt erop dat ze dat graag doen: het geld lonkt en waarom zouden ze niet aan de nationale veiligheid willen werken?
Kritische geluiden zijn er ook: moeten onderzoekers zich voor het karretje van de oorlogsindustrie laten spannen? Hoe verhoudt de academische vrijheid zich bijvoorbeeld tot een geheimhoudingsplicht? En hoe zit het met internationale samenwerking?
Beter aansluiten
Afgelopen vrijdag schreef OCW-minister Rianne Letschert hier al over aan de Tweede Kamer. Ze is met haar collega’s van Defensie en Economische Zaken in gesprek over de randvoorwaarden voor kennisinstellingen om ‘beter aan te sluiten’ bij onderzoek en innovatie voor Defensie.
Zowel hogescholen als universiteiten hebben – al dan niet gezamenlijk – overeenkomsten met het leger gesloten over de inzet van onderwijs en onderzoek. De vraag lijkt dus vooral hoe het gaat gebeuren, en niet of het überhaupt wenselijk is dat de instellingen met de defensie-industrie gaan samenwerken.
Hogeschool Utrecht
Een voorbeeld van de samenwerking tussen onderwijs en Defensie aan de HU is de relatief nieuwe militaire minor Weerbaar tegen hybride dreigingen, onder leiding van Jan Steenbrink, docent Integrale Veiligheidskunde. Studenten worden daarin voorbereid op veiligheidsvraagstukken zoals cyberaanvallen, desinformatie en statelijke beïnvloeding. Het programma bestaat uit twee delen. In periode C volgen ze colleges over hybride oorlogsvoering, oorlog en vrede en samenwerking tussen overheid, Defensie en samenleving. In periode D volgt een periode van tien weken bij Defensie, waar studenten de Initiële Militaire Opleiding (IMO) doorlopen.
Tijdens die militaire opleiding leren studenten basisvaardigheden zoals kaartlezen, militaire EHBO, leiderschap en tactisch handelen in het veld. Ook gaan zij op bivak, waarbij zij in het veld slapen en werken onder operationele omstandigheden. Na afronding kunnen studenten zich opgeven als reservist bij Defensie en worden zij officieel aangesteld tijdens de opleiding, inclusief salaris.
De helft van het aantal studenten die afgelopen jaar de minor volgden was vrouw. ‘Defensie is allang geen mannenbolwerk meer’, vertelde Steenbrink in oktober aan Trajectum. Toelating is bovendien streng: studenten moeten een selectieprocedure doorlopen met psychologische, medische en fysieke keuringen voordat zij überhaupt aan de minor mogen beginnen.
Defensie is volgens Steenbrink veel meer dan soldaat zijn. ‘We kijken naar de talenten van studenten. Iemand van ICT kan meedraaien bij de anti-hackersbrigade, een journalistiekstudent onderzoekt hoe je desinformatie bestrijdt.’ En zelfs als je uiteindelijk geen reservist wordt, heb je er volgens Steenbrink iets aan. ‘Je leert hoe je moet handelen in crisissituaties.’
Dual-use
In een nieuwe nota over Defensie, met een uitwerking van het kabinetsbeleid, staat dat Defensie ‘ontwikkeling, kennis, productie en leveringszekerheid’ gaat versterken. Dat gebeurt in nauwe samenwerking met het ministerie van Economische Zaken en het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW).
Erg concreet wordt het allemaal niet, maar het kabinet wil bijvoorbeeld dual-use toepassingen stimuleren, oftewel innovatie die je desgewenst militair zou kunnen inzetten. Voorbeelden staan er niet bij, maar denk aan bepaalde radartechnologie of bijvoorbeeld kennis van kwetsbaarheden in software.
Ook wil Defensie op regionaal niveau samenwerken met bedrijven, industrie, onderwijs- en kennisinstellingen. Dan kan Defensie bijdragen aan ‘maatschappelijke weerbaarheid, economische kracht en oplossingen voor bredere maatschappelijke opgaven’, is de verwachting.
We moeten de tegenstander voorblijven, zegt het kabinet, en daarom moeten we hier in Nederland kennis in huis hebben. ‘Ongewenste afhankelijkheid van buitenlandse kennis en leveranciers kan daarbij een veiligheidsrisico zijn.’
De nota is vooral een bevestiging van de koers, en niet een ommezwaai. Tegelijkertijd laat de nota zien dat veel nog uitgewerkt moet worden. De rol van de kennisinstellingen is nog niet uitgekristalliseerd.
Kritiek
Waarom moeten studenten opgeleid worden tot vechtmachines? Of, zoals rechtsgeleerde aan de Tilburg University Michiel Bot begin dit jaar waarschuwde in Trouw: ‘Oorlog en geweld moeten een uitzondering blijven. Met dit soort minoren normaliseren we ze tot zaken die bij onze samenleving horen.’
Docent Steenbrink had begrip voor die zorgen. Immers: ‘Je kan niet zomaar op iemand schieten. Problemen oplossen via dialoog heeft altijd mijn voorkeur, maar we zien dat sommige staten, zoals Rusland, een andere koers varen. Dan moet je solidair zijn. Je kunt niet neutraal blijven terwijl de wereld beeft.’


