Huib de Zeeuw is docent aan de opleiding Journalistiek en schrijft columns voor Trajectum.
Een willekeurige dag uit het leven van een docent. De ene les gaat fantastisch en de volgende loopt voor geen meter. Het maakt het vak enorm uitdagend, maar ook wat frustrerend.
’s Ochtends start ik met een groep derdejaars studenten. Het is de eerste les Creatief Schrijven. Een voorstelrondje over het boek dat je leest, levert een mooie variëteit aan antwoorden op. Van Star Wars, Animal Farm tot HéHé van Paulien Cornelisse
‘Geen journalistieke non-fictie boeken’, zeg ik tegen ze. ‘Daar hoop ik deze lessenserie verandering in aan te brengen’.
Vol enthousiasme vertel ik over Joris van Casteren, Frank Westerman, Jan Brokken en Judith Koelemeijer. Studenten luisteren aandachtig.
Die aandacht blijft tijdens het lezen van een artikel over een hoefsmid met een drugslab in zijn tuin. Klassikaal bespreken we de literaire kenmerken in het stuk. De humoristische beschrijvingen van de hoofdpersoon, de alwetende verteller en de dialoog tussen de agenten die langskomen. ‘Dit vind ik echt leuk om te lezen’, zegt één van de studenten.
‘Ga nu zelf aan de slag met het schrijven van een scene en lees die voor aan de klasgenoot naast je. Wat blijft hangen?’ Vol ijver gaan de studenten aan de slag.
Een uur later geef ik les aan eerstejaarsstudenten. Een derde van de klas komt niet opdagen, te druk met de presentaties voor een dag later. De rest is er niet helemaal bij, merk ik. Een discussie over hoe media berichten over de dalende acceptie van homoseksualiteit komt niet uit de verf. Het is te hoog gegrepen.
In de pauze komt een student naar mij toe. ‘Ik merk dat ik snel afgeleid ben en daardoor wil ik liever nu vertrekken’, zegt ze in alle eerlijkheid. En ze is niet de enige. ‘We moeten nog veel doen voor morgen’, zegt een ander.
Ik besluit om ze vrij te geven. Dit heeft geen zin.
Waar het aan ligt? Te weinig aanvoelen waar studenten behoefte aan hebben, denk ik. De volgende les begin ik met een incheckmoment.


