Henk Penseel was (onder andere) docent aan de HU en blogt sinds 2010 voor de Trajectum-site. Ditmaal: over studeren voor de elite.
Afgelopen week keek ik eindelijk eens echt in een doos, die sinds de laatste verhuizing slechts een paar keer verschoven is. Ik haalde er een stapel vergeelde boekjes uit op A5-formaat. Het bleek de tweede en derde jaargang van de Internationale Echo. Per stuk kostten ze in ons land 65 cent en bij onze zuiderburen 12 Belgische franc. Dat stond op de met twee steunkleuren gedrukte voorkant. De boekjes hadden 128 pagina’s met geïllustreerde artikelen uit kranten en tijdschriften van over de hele wereld.
In het augustusnummer uit 1949 lees ik een artikel van W.F. van Vliet over de ‘Kentering in het Nederlandse studentenleven’. In een kader staan enkele cijfers over de universiteiten en hogescholen in ons land. Hierna de drie oudste zoals ze toen genoemd werden: de Rijksuniversiteit Leiden met 3000 studenten (opgericht in 1575), de Rijksuniversiteit Groningen met 1500 studenten (opgericht in 1614) en de Rijksuniversiteit Utrecht met 4500 studenten (opgericht in 1636).
Nederland telde toen ongeveer 12 miljoen inwoners en 30.000 studenten in totaal. Die studentenaantallen zijn niet te vergelijken met het aantal studenten dat we nu op hogescholen en universiteiten hebben. Het afgelopen jaar alleen al studeerden bijna 450.000 studenten aan het hbo en op de HU bijna 36.000 studenten.
Nu terug naar het artikel uit 1949, waarin de schrijver vindt dat de tijden zijn veranderd, al wordt het studentenleven nog steeds beheerst door het Corps. Hij is van mening dat dit typisch is voor de Nederlandse student, die in ons systeem veel vrijheid krijgt. ‘Zodra hij van de middelbare school komt, wordt de student losgelaten in de Tuin der Wetenschap, waar hij naar hartenlust mag draven, of luieren. Want er is niemand die hem dwingt tot de studie, niemand die hem dwingt om de colleges te volgen of zijn examens op tijd te doen, niemand behalve zijn eigen verantwoordelijkheidsgevoel.’
Dat is nu wel andere koek. Ruim zeventig procent van de studenten heeft een bijbaantje, omdat ze anders hun studie niet kunnen betalen. Tot vlak na de Tweede Wereldoorlog was studeren slechts weggelegd voor jongeren uit de bemiddelde gezinnen. Daarna doet de werkstudent z’n intrede. Intelligente doorzetters van niet bemiddelde ouders blijken ook een universitaire studie te kunnen voltooien.
Door het onderwijsbeleid in de laatste decennia zijn we over de top van de adoptiecurve van Rogers als het gaat over de toegankelijkheid van universiteiten voor iedereen, eventueel door te stapelen. We keren geleidelijk terug naar de tijd dat studeren alleen is weggelegd voor de elite.


Het is een zeer interessant onderwerp dat Henk Penseel aankaart.
De vraag doet zich voor hoe je (1) toegankelijkheid en hoe je (2) elite definiteert.
(1) Toegankelijkheid bestaat uit middelbare schoolkwalificatie, financiele toegankelijkheid en dan ben je er nog niet want loting (voor een beperkt aantal plaatsen) bepaalt voor sommige studies ook de toegankelijkheid. Mogelijk speelt fysieke toegankelijkheid een rol: m.a.w. woon je in of bij een universiteitsstad of Hogeschoolstad?
(2) Tja en elite ? Wie is dat? Intelligente, intellectuele, bestuurlijke, zakelijke of financiele elite ?
Ten slotte: Persoonlijk ben ik voor een grote toegankelijkheid tot en met het eerste propedeusejaar. Het schijnt dat de uitvalpercentages op hogescholen en universiteiten zich (nog steeds) zo rondom de 40 % bewegen. Deze intellectuele verspilling zou nader moeten worden onderzocht. Daarnaast zijn er nu veel meer alternatieve mogelijkheden dan zo’n 40 jaar geleden: Open Universiteit, NCOI, LOI, NTI en andere opleidingsinstituten. bieden ook geaccrediteerde Bachelor en Master opleidingen aan. Deze zijn niet elitair en naast een baan te volgen en financieel toegankelijk .
Dag Marcel,
dank voor je reactie. Er zijn tegenwoordig inderdaad meer mogelijkheden om een bachelor- of masteropleiding te volgen. Deze opleidingen zijn niet echt goedkoper (zonder studiefinanciering) dan die op een hogeschool of universiteit, maar vereisen nog meer discipline en doorzettingsvermogen. Vergelijk het met een semi-profvoetballer en een profvoetballer. Laatstgenoemde heeft veel meer tijd om trainen en te oefenen, en hoeft er geen baantje bij te nemen om z’n hypotheek te betalen.