Columns

Noah zit kotsmisselijk in een kart

Foto: Kees Rutten

Groen en geel wankel ik van de kartbaan af. Mijn vingers staan krom van het stuur vastklampen en in mijn rug voel ik een fikse steek. Wat had ik dit mateloos onderschat.

Maandagavond, na een dag in de bieb, ga ik met mijn schoonfamilie ‘wat leuks doen’. Karten! Van ver buiten de Kartfabrique komt de commotie me al tegemoet. Binnen zie ik ronkende karts in een gigantische betonnen ruimte – een voormalige mengvoederfabriek. Jochies met omvangrijke helmen op scheuren door veel te scherpe bochten en medewerkers zwaaien enthousiast met blauwe en rode vlaggen. Hoe ga ik hier ooit fatsoenlijk aan meedoen?

De mentale voorbereiding vindt plaats boven een bord friet met vegaburger in het bijhorende café. ‘Dus Noah’, zegt mijn schoonvader Jörgen, ‘Wat wordt jouw tactiek?’ Ik kijk vertwijfeld: zijn er tactieken? Met de meeste sporten heb ik inzicht in hoe je iets ‘goed’ of ‘minder goed’ kunt doen maar met karten is dat niet het geval. ‘Op de baan blijven,’ luidt dan ook mijn enige antwoord. Vervolgens loopt er een gast in een rood-witte overall het café binnen. ‘Hij heeft een helm van carbon,’ fluistert mijn vriend – die hier af en toe komt – me toe.

Er zijn dus mensen die wekelijks gaan karten. Als sport? Voor de lol? Om beter te worden? Want een sport is het in mijn ogen niet. Je zorgt zelf niet voor de voortstuwing – dat doet de biobrandstof. En het duurt een magere tien minuten totdat je weer de baan af wordt geknikkerd. Daarbij is het peperduur. En waar werk je naartoe? Competities of kampioenschappen? Een NK? Meestal niet.

Mijn gemaal wordt stopgezet want het is zover, we gaan de wachtruimte in. Aan de muur hangen shirts met de tekst ‘I’m not speeding, I’m qualifying’ en iedereen zet een helm op. Ik mag – oh wat fijn – in de voorste kart. De riem die ik om moet is een doodnormale autogordel die ik pertinent niet als voldoende inschat om me veilig op mijn plaats te houden.

‘Go!’, brult de medewerker en ik trap geestdriftig op het gaspedaal. De eerste bocht nadert en vroem, daar racet mijn vriend me al voorbij. Vroem, en dat was Jörgen. Vroem, ook mijn schoonzusje, vroemmm, haar vriend en alle andere in de groep hebben me inmiddels ingehaald. Fijn, denk ik, een lege baan waar ik uiterst geconcentreerd bochtjes kan maken. En oh, bochten waren er genoeg. Na drie rondjes – wanneer mijn vriend me opnieuw heeft ingehaald – komt mijn burger bocht bij bocht naar boven. Jörgen had ter voorbereiding anti-misselijkheidspilletjes genomen. Had ik maar hetzelfde gedaan.

Dan word ik van achteren aangereden. Ik slaak een oerkreet en ga nog trager rijden. De misselijkheid is nu echt een feit en deze tien minuten lijken eindeloos. Maar toch, daar wappert de finishvlag en ik zucht van opluchting. Het is voorbij, het is gedaan. Met nieuwgewonnen respect kijk ik naar de fanatiekelingen die alweer de karts instappen. Misschien is het toch wel een sport. En de wonderen zijn de wereld nog niet uit. Ik heb sneller gereden dan mijn schoonmoeder.

Ook interessant: Video: Wat vinden studenten van Coming Out Day?