Achtergrond

Strakke planner die snel kan switchen

Mia Duijnstee is sinds 1 december voorzitter van het Lectorenforum van de HBO-raad, dat zich onlangs aan de buitenwereld presenteerde. Deze netwerkorganisatie van en voor lectoren is de opvolger van het Lectorenplatform. Gesprek met een vrouw die als voorzitter, directeur, hoogleraar en lector aan de faculteit Gezondheidszorg dagelijks probleemloos vier keer van pet wisselt.

Het Lectorenplatform heeft slechts twee jaar bestaan, waarom is het in 2006 opgeheven?
Was het maar zo kort? Ik verkeerde in de veronderstelling dat het al vanaf de invoering van de lectoraten in 2001 actief was. De taak van het platform was in ieder geval een andere dan die van het huidige Lectorenforum. Mensen begrepen aanvankelijk niet wat lectoraten inhielden en zeiden bijvoorbeeld tegen mij: ‘Jij lector aan de hogeschool? Dat hoef je als hoogleraar aan de universiteit toch helemaal niet te doen?’ Er werd aan de hogeschool tot 2001 helemaal geen onderzoek gedaan en er was destijds sprake van een enorme cultuurverandering. Het platform heeft heel hard aan de identiteit gewerkt en vond dat die in 2006 voldoende was neergezet. Nu gaat het veel meer om vragen als: waar staan we inmiddels met het praktijkgericht onderzoek? Hoe is de verbinding tussen onderzoek en het professionaliseren van docenten? Wat doet een kenniscentrum en hoe kun je excelleren? Die vragen zijn een heel andere tak van sport.

Wat heeft het Lectorenforum sinds 1 december gedaan?

De themanetwerken van de lectoren zijn geïnventariseerd binnen de domeinen Ruimte en Technologie, Innovatie en Ondernemen, Leren en Opvoeden, maatschappij, Kunst en Cultuur en tot slot Methodologie. Er zijn vertegenwoordigers uit die domeinen gevonden die samen het presidium vormen.

Wat gaat dat presidium doen?
Het is de bedoeling een open communicatie op gang te brengen om optimaal van elkaar te leren en samen te werken. Het zou lachwekkend zijn om nota’s af te scheiden over samenwerking, die gaan zo de prullenbak in. Samenwerking met de achterban is belangrijk.

Er moet meer synergie komen?
Inhoudelijk zie ik die niet zo snel gerealiseerd worden als het gaat om gebieden als kunst en veiligheid, maar bijvoorbeeld wel bij thema’s maatschappij en veiligheid, of gezondheid en veiligheid. En er zijn ook onderwerpen die de domeinen overstijgen. We staan allemaal voor de opdracht, onafhankelijk van vakgebieden, om docenten te professionaliseren. Die zijn al goed, maar het zit ‘m in het academische denken. Het is belangrijk dat ze de laatste inzichten op hun vakgebied tevoorschijn kunnen toveren, dat ze op de hoogte zijn van een evidence based aanpak. Daar is synergie dus zeker op z’n plaats.

En de voorzitter stuurt het communicatieproces?
(Lacht) Dat klinkt wel heel therapeutisch! De kwaliteit en de ontwikkeling van de lectoraten gaan me aan het hart. Ik vind het stimulerend om ergens beweging in te krijgen, maar wil zelf ook graag nieuwe dingen ontdekken en leren. Mijn achtergrond als arbeids- en organisatiepsycholoog maakt dat samenwerkingsprocessen me interesseren, dat métier ligt me. Ik heb er ook ervaring mee als directeur van de Academie Gezondheidszorg Utrecht, die een samenwerking is van het UMC, de UU en de hogeschool. Studenten kunnen bij ons zowel universitaire als hbo-masters volgen.

Waarom is Mia Duijnstee een goede voorzitter?
Ik ben goed in het vasthouden van een rode draad, het is essentieel de doelstellingen die je hebt voor ogen te houden, en dat iedereen ook datgene oppakt waar diegene goed in is. Het is niet de bedoeling dat de voorzitter alles zelf gaat doen. Daarnaast ben ik open en duidelijk, dat weet mijn omgeving ook.

Voorzitter, lector Familiezorg, directeur, hoogleraar gezondheidswetenschappen…hoe combineert u al die functies?
Allereerst vertonen ze een gedeeltelijke overlap, dat maakt het voor mij makkelijk om mee te bewegen. Wat belangrijk is: ik heb mijn archief op orde, een onmisbaar hulpmiddel. Mede daardoor lukt het me om de hele dag door van onderwerp te switchen. Daarnaast ben ik een echte planner. Het klinkt paradoxaal, maar flexibiliteit is alleen mogelijk dankzij een strakke planning. Als studentenbegeleider heb ik geleerd strikte afspraken te maken met studenten over het inleveren van werkstukken. Soms kwamen ze met een stuk van vijftig pagina’s en had ik nog maar een dag om het te lezen. Maar op die dag stonden er dan weer allemaal andere dingen gepland. Iets anders dat helpt: niet de hele dag met je mobieltje rondlopen, die van mij is alleen voor het thuisfront.

Waarom wil een mens zo druk zijn?
Ik ben heel gedreven. Bij al mijn werkzaamheden staat één doel centraal: de patiënt moet er beter van worden. Dat motiveert mij. Trouwens, ik merk dat dat doel door de hele faculteit Gezondheidszorg heen belangrijk wordt gevonden. De condities om hier te werken zijn goed.

Stel, u moet kiezen tussen het professionaliseren van docenten of het verrichten van meer onderzoek…
(Zucht) Dat moet je dus echt niet willen! Als je onderwijs, onderzoek en praktijk van elkaar gaat losweken, maak je een grote fout. Ooit ben ik begonnen als verpleegkundige en ik voel me sterk verbonden met de beroepspraktijk. De relatie met de praktijk is nou juist het leuke van een hbo-opleiding en die moet je niet verstoren. Maar alleen praktisch onderzoek doen is onvoldoende, want het onderwijs moet de resultaten daarvan weer kunnen gebruiken. In de loop der jaren heb ik het belang van goed opleiden geleerd.

Verdwijnt het verschil tussen hogeschool en universiteit?
Dat geloof ik niet. Als je op de hogeschool een master volgt als verpleegkundige, word je een superprofessional, maar dat is toch iets anders dan het bestuderen van het handelen van een verpleegkundige, waar een verplegingswetenschapper voor wordt opgeleid. Ik zie nog steeds het verschil, je levert anderssoortige studenten af, maar de instituten komen wel steeds dichter bij elkaar en dat vind ik een goede zaak. Het hbo is niet automatisch meer een eindfase, je ziet steeds vaker studenten via een premastertraject op de universiteit komen. Van oudsher is het onderscheid tussen hogeschool en universiteit in Utrecht scherp geweest, maar de samenwerking is dat inmiddels ook. Neem het promoveren van kenniskringleden aan de universiteit, dat is lang niet overal zo vanzelfsprekend als hier.

Hoe ziet u de toekomst van de lectoraten?
De beweging van lectoraten, al dan niet verenigd in kenniscentra, is niet meer te stuiten, ze zullen steeds vaker een brug slaan tussen hogeschool en universiteit. De situatie over tien jaar? Het zou mooi zijn als de lectoraten dan kunnen werken onder condities die ideaal zijn voor het leveren van optimale prestaties. In Utrecht zitten we wat dat betreft in beginsel goed. In den lande wordt momenteel gewerkt aan methoden voor kwaliteitszorg en –toetsing. Dat zal ongetwijfeld het belang duidelijk maken van de integratie van lectoraten in het beleid van hogescholen, en dat je als lector voldoende aanstelling moet hebben en terug moet kunnen vallen op een kring kundige medewerkers die op hun beurt voldoende tijd hebben voor het leggen van de verbindingen tussen onderzoek, onderwijs en praktijk.