Lessen voor docenten (13): Vier tips om alle studenten te activeren

Met jouw vragen zet je het denken van de studenten in gang. Maar hoe zorg je dat alle studenten meedoen?

In een serie didactische lessen geeft trainer en adviseur Alard Joosten tips aan docenten in het hbo over lesgeven en begeleiden. Les 13: Hoe kan je er met je vraag voor zorgen dat alle studenten actief aan de slag gaan?

Vragen die nieuwsgierigheid opwekken, vragen die studenten moeten laten speuren naar het goede antwoord, vragen om aangeboden kennis te verwerven … Vragen met elk een ander doel!

Vragen stellen is het middel bij uitstek dat je als docent gebruikt om het denken van studenten in gang te zetten en hun leerproces te stimuleren. Dit betekent wel dat het effectieve vragen moeten zijn; vragen die leerzaam zijn en waarbij het stellen van de vraag ook tot leren leidt.

Vaak reageert slechts een handjevol studenten op een vraag, en meestal zijn dit de studenten die al actief zijn. Hoe kan je er nu met je vraag voor zorgen dat alle studenten actief aan de slag gaan op zoek naar een antwoord?

Tip 1 Spreek de groep individueel aan
Het is van belang dat alle studenten meedoen. Dus moeten ze zich door jouw vraag wel individueel aangesproken voelen. Verhoog de individuele aanspreekbaarheid door in de vraag aan te geven dat hij voor iedereen is (‘ik heb een vraag voor iedereen’), door de individuele student aan te spreken (‘jij’) en door aan te geven dat iedereen de beurt kan krijgen (‘ik vraag zo kriskras terug’).

Tip 2 Zorg voor veiligheid
Als studenten zich niet veilig voelen, leren ze niet. Mogen en kunnen studenten foute antwoorden geven? Wat helpt is om studenten eerst in tweetallen of in groepen hun antwoorden te laten delen waarmee ze hun antwoord al in een veilige situatie formuleren.

Tip 3 Breng structuur in de vraag aan
Soms roept de ene student al iets, terwijl de ander nog denkt. Geef aan hoe je verwacht dat de studenten meedoen in je vraag. Geef dus aan welke leeractiviteiten je achtereenvolgens vraagt (denken-overleggen-antwoorden).

Tip 4 Heb geduld en zorg voor wachttijd
De gemiddelde wachttijd na een vraag is minder dan een seconde! Geen wonder dat zo weinig studenten meedenken. Voor het bedenken van een antwoord heb je tijd nodig. Wachttijd met stilte verhoogt niet alleen het aantal antwoorden, maar ook het aantal beredeneerde antwoorden. En dan is er nog de wachttijd na het antwoord, oftewel de goed-foutreactie van de docent. Het antwoord laten rondzingen verhoogt het meedenken. Ofwel: bevestiging van de docent stopt het leren. Dus benut de kracht van de stilte!

Een spannende uitdaging om studenten met jouw vragen aan het leren te zetten!
Probeer de tips in je volgende les uit en ik ben benieuwd naar de effecten. Ik hoor het graag.

Ontleend aan:
Ebbens, S. en S. Ettekoven. (2013). Effectief leren; basisboek. Hoofdstuk 3 Vragen stellen. Groningen: Noordhoff Uitgevers.

Alard Joosten werkte als docent en trainer voor verschillende hogeronderwijsinstellingen. Heeft 15 jaar gewerkt bij de HU als docent, opleidingsmanager en kwaliteitszorgmedewerker. Adviseert en traint sinds 2014 met ALtraining en advies opleidingen bij professionaliseringskwesties, met de nadruk op didactiek en audits.

 

Reageer!
Deel via...
 

2 reacties

Het is niet meer mogelijk om te reageren

  1. Dank je wel voor de tips Alard. Ik heb zelf de neiging om nogal snel te reageren met een goed/fout reactie als ik eindelijk een antwoord krijg van een student. Soms ben ik namelijk al zo blij dat er een student antwoordt. Jouw tip 4 en dan vooral wachttijd 2 ga ik nu eens toepassen. Benieuwd of er dan meer reactie komt en/of studenten ook op elkaar gaan reageren?

  2. Ik ben heel benieuwd naar de effecten Ellen. Wanneer je niet direct reageert, betrek je vaker een grotere groep studenten bij de les en verlengt het ook de periode van denken. Het doet meestal het aantal speculatieve antwoorden toenemen (‘misschien is het wel…’) en daarmee dus het leren.
    Interessant is verder te kijken naar hoe je reageert op de antwoorden. De reactie ‘goed’ of ‘fout’ stopt het denken. Beperk je inbreng tot het hoogst noodzakelijke en laat studenten vooral reageren op elkaars antwoorden en daarmee ‘kauwen’ op de stof.