Achtergrond

HU en onderzoek: pioneer moet stappen maken

De HU krijgt complimenten voor het onderzoek en de kwaliteitszorg ervan van de Validatiecommissie Kwaliteitszorg Onderzoek (VKO). ‘Er is buitengewoon veel bereikt in een korte tijd.’ Maar er valt ook nog winst te boeken, stelt de commissie. Mee eens, zegt collegelid Huib de Jong. ‘Niet iedereen zijn mind staat al naar participeren in onderzoek.’

Het wordt door sommigen al vaker geroepen: de Hogeschool Utrecht is in hbo-land koploper op het gebied van onderzoek. Tot op heden kon deze claim worden afgedaan als zelfingenomen borstklopperij, maar nu is het officieel bevestigd. De HU vervult een ‘voortrekkersrol’ bij de ontwikkeling van het onderzoek en de kwaliteitszorg ervan.

Die conclusie trekt de onafhankelijke Validatiecommissie Kwaliteitszorg Onderzoek (VKO) in een rapport dat medio januari verscheen. De commissie is begin 2009 door de hogescholenkoepel HBO-raad in het leven geroepen. De groep van wijze mannen en vrouwen moet de kwaliteitszorgsystemen van de hogescholen ten aanzien van het nog jonge onderzoek onder de loep nemen en al dan niet goedkeuren. Na bestudering van een dertigtal documenten en een uitgebreid bezoek in oktober vorig jaar – met talloze presentaties en gesprekken – oordeelt de commissie positief.

Respect

De HU oogst complimenten van de commissie. Uit het rapport: ‘Voor een instelling die nog maar zo kort een daadwerkelijke onderzoeksfunctie kent, staat de kwaliteitszorg al opmerkelijk stevig. Er is buitengewoon veel bereikt in een korte tijd.’ Het systeem is ‘doordacht’ en ‘zorgvuldig geïmplementeerd’: er is veel aandacht voor het creëren van draagvlak en acceptatie. De manier waarop dit gebeurt dwingt ‘respect’ af.

De Hogeschool Utrecht is de eerste instelling die door de VKO onder de loep wordt genomen en dat is best spannend, oppert Huib de Jong, lid van het college van bestuur met onderzoek in zijn portefeuille. ‘Je hebt nog geen beeld hoe de commissie te werk gaat en hoe ze hun taak zien. We waren een soort proefkonijn. Het was afwachten wat de commissie zou gaan zeggen.’

De hogeschool heeft in een vroeg stadium zijn nek uitgestoken door een dergelijk kwaliteitszorgsysteem in de steigers te zetten, zegt hij. Er bestaan al langer systematieken voor het beoordelen van de kwaliteit van het onderwijs (gehanteerd door de accreditatieorganisatie NVAO) en voor universitair onderzoek (het Standaard Evaluatie Protocol), maar die bieden geen soelaas voor het praktijkgericht onderzoek aan de hogescholen.

Werklast

Dus ontwikkelde de HU die zelf op basis van de zogenaamde sci_Quest-methode (zie kader). Daarmee is een aantal pilots uitgevoerd waarbij onafhankelijke commissies de kenniscentra bij de faculteiten Gezondheidszorg en Educatie (en later met een bijgestelde versie de faculteit Natuur en Techniek) doorlichtte. Dit werkte naar tevredenheid, waarna werd besloten deze methode definitief te omarmen. Vandaar dat de HU als eerste zijn vinger opstak toen de vraag kwam welke instelling zich wilde onderwerpen aan een inspectie van de Validatiecommissie.

Naast de loftuitingen over de structuur en samenhang van de kwaliteitszorg, stelt de commissie dat er ook nog winst valt te boeken. Het accent ligt wel erg veel op het oplepelen van kwantitatieve gegevens, waardoor er een grote administratieve rompslomp ontstaat. ‘Voor de continuïteit en acceptatie op de langere termijn is aandacht voor verdere vereenvoudiging en vermindering van werklast geboden’, zo beveelt het rapport aan.

De Jong hierover: ‘We vragen van de kenniscentra dat ze een zelfevaluatie maken. Dat betekent nogal veel dataverzameling. Er wordt veel informatie gevraagd, ook die niet uit het systeem kan worden gehaald. Bijvoorbeeld het in kaart brengen van de netwerken waarin het kenniscentrum participeert, zowel in de beroepspraktijk als in het beleidscircuit. Dat is een ongelooflijke klus. Daarvan hebben we zelf al gezegd: dat moet eenvoudiger en dat is ook al gebeurd. De commissie beveelt aan om er nog eens naar te kijken.’

Versnippering

Ook waarschuwt de validatiecommissie voor het gevaar van versnippering van het onderzoek. De HU heeft hoge ambities en een brede oriëntatie, maar er is een beperkt aantal lectoren actief. In de afgelopen jaren zijn onder het motto ‘focus en massa’ stappen voorwaarts gemaakt door de bundeling van lectoraten in facultaire kenniscentra en de ontwikkeling van onderzoeksprogramma’s. Een aanvullende stap vooruit is het aanwijzen van vijf speerpunten: duurzaamheid, wijk & leren, creative industries, zorg & technologie en ict. Maar hoe deze zich verhouden tot de kenniscentra en op welke wijze zij het onderzoek structureren, is de commissie ‘niet volledig duidelijk geworden’.

Huib de Jong legt uit dat de speerpunten tot stand zijn gekomen vanuit de behoefte van de buitenwacht in de regio (bedrijven, openbare besturen, instellingen) in combinatie met de sterke domeinen van de hogeschool. De thema’s overstijgen de afzonderlijke faculteiten. Het domein creative industries wordt bijvoorbeeld opgepakt door de faculteiten Communicatie en Journalistiek, Natuur en Techniek alsmede Economie en Management.

Dat deze aandachtsgebieden binnen de hogeschool nog niet zo leven en verdere invulling behoeven, zoals de commissie stelt, erkent De Jong. Nu de kenniscentra zich een plaats binnen de faculteiten hebben verworven, breekt de volgende fase aan. ‘Op basis van de thema’s vindt in projecten samenwerking plaats tussen de kenniscentra. Dat moet zich nu verder gaan uitkristalliseren.’ Verschillende faculteitsdirecteuren gaan de interfacultaire karren trekken. André Henken, de nieuwe directeur van de faculteit Natuur en Techniek, krijgt bijvoorbeeld het thema duurzaamheid onder zijn hoede.

Sportmarketing

De VKO wijst op het belang van verdergaande focus en massa. ‘Dat is ook precies de stap die we willen zetten’, zegt De Jong. ‘De omvang van het onderzoek binnen onze instelling is beperkt. We praten over vijf tot zeven procent van het totale budget. Dan wordt het heel belangrijk hoe je die middelen inzet. Als het onderzoek is verspreidt over alle opleidingen, dan krijg je een versnippering waarbij de impact van de inspanning beperkt is. Daarom moet het onderzoek gebundeld worden zodat de resultaten goed zichbaar zijn. Je kunt niet in alles uitblinken en er is een beperkt aantal terreinen waarop je je kunt profileren.’

Het is niet zo, werpt hij tegen, dat daardoor sommige opleidigen, clusters of zelfs instituten in het geheel niet participeren in het onderzoek. ‘Er is inderdaad geen één op één relatie tussen onderzoek en opleidingen. Dan zouden we tussen de zeventig en tachtig lectoren moet hebben om ze allemaal te coveren. Maar ze doen allemaal mee.’ Een lector marketing bijvoorbeeld bedient alle studies in de commerciële hoek. Daarvoor hoeft geen gespecialiseerde lector sportmarketing aangesteld te worden. Het betekent wel, erkent hij, dat de opleidingen die dicht tegen het vakgebied van de speerpunten liggen meer zullen participeren. ‘Dat is onontkoombaar. Dat zie je ook bij universiteiten.’

Maar het slim bundelen van lectoraten en dwarsveranden leggen tussen de kenniscentra is niet voldoende. Om het onderzoek binnen de hogeschool tot volle wasdom te brengen moet dit ‘afdalen in alle genen van de organisatie’, zei oud-directeur van de dienst Onderwijs & Organisatie Loek Vroomans in het vorig nummer van Trajectum. Studenten praticiperen te ad hoc in onderzoeken van lectoren. Onderzoek moet van hem een structurele plek krijgen in het curriculum zodat studenten deel kunnen nemen aan onderzoek en onderzoeksstages kunnen doen.

Onderzoekservaring

De Jong is het hiermee eens: ‘Er is al in belangrijke mate ruimte voor. Veel opleidingen zijn bezig met het aanleggen van een onderzoeksleerlijn binnen het programma. Daar moet de komende periode meer gebruik van gemaakt worden. Niet iedereen zijn mind staat al naar participeren in onderzoek.’

Net als Vroomans signaleert het collegelid dat de begeleiding van de studenten niet alleen gedaan kan worden door de ruim veertig lectoren die de HU telt. Dus is het belangrijk dat de docenten onderzoekservaring opdoen bij de kenniscentra. De uitkomsten van de onderzoeken en de opgedane ervaringen sijpelen zo door in het onderiwjjs. Daarom is het beleid van de hogeschool erop gericht om zoveel mogelijk docenten aan te nemen die een hbo- of wo-masterstudie achter de rug hebben en wordt er gestimuleerd dat docenten promoveren.

Van de andere kant kan niet van iedere docent verwacht worden dat hij of zij én promoveert én uitmuntend les geeft én kan bogen over jarenlange ervaring in de praktijk. Het collegelid, die zelf ook docent is geweest en nog regelmatig colleges geeft, is zich hiervan bewust. De Jong: ‘Niet iedere docent moet ook onderzoeker zijn. We willen in de docententeams een goede mix van leraren die vanuit beroepspraktijk les geven en docenten die zich toeleggen op onderzoek.’ Om er nadrukkelijk aan toe te voegen: ‘Maar alle docenten moeten goed les geven.’


VALIDATIECOMMISSIE

De Validatiecommissie Kwaliteitszorg Onderzoek (VKO) is begin 2009 door de HBO-raad opgericht. De onafhankelijke commissie moet de kwaliteitszorg van het onderzoek aan alle hogescholen in zes jaar tegen het licht houden. Dit gebeurt op basis van documenten, zoals een zelfevaluatie van de hogescholen, en gesprekken met onder meer de betrokken colleges van bestuur, beleidsmedewerkers en lectoren. De commissie legt zijn bevindingen neer in een openbaar rapport. Er kan een positief oordeel uit rollen, vergezeld met aanbevelingen tot verbetering. Bij twijfel komt er een ‘voorwaardelijke validatie’. De instelling heeft dan twee jaar de tijd om orde op zaken te stellen, waarna een definitief oordeel volgt. Als voorzitter van de VKO fungeert Pauline Meurs, hoogleraar Bestuur van de Gezondheidszorg aan de Erasmus Universiteit en lid van de Eerste Kamer voor de PvdA. Vice-voorzitter is Frans van Vught, topadviseur van de voorzitter van de Europese Commissie Barroso en oud collegevoorzitter van de Universiteit Twente.

KWALITEITSTOETS

De HU hanteert voor de kwaliteitszorg van het onderwijs de zogenaamde sci_Quest-methode. Deze systematiek beoordeelt behalve het onderzoek an sich ook het maatschappelijk nut ervan. De hogeschool heeft deze methode toepasbaar gemaakt voor praktijkgericht hbo-onderzoek en daarmee de toon gezet voor andere hogescholen. De kern van de kwaliteitstoets vormen: het onderzoek, de inpact in de praktijk en de doorwerking in het onderwijs. Maar het is niet zo dat het HU-systeem door de HBO-raad aan de andere instellingen verplicht wordt gestelt. ‘De pilots van ons zijn elders opgemerkt’, zeg collegelid Huib de Jong. ‘Veel andere hogescholen hebben onze sci_Quest-systematiek opgepikt, maar iedere hogeschool kan daar eigen accenten in leggen.’