Columns

Introkamp: onze columniste was gewaarschuwd (en ging toch)

Marijke Kolk is docent bij de opleiding Journalistiek. Iedere veertien dagen schrijft ze een column voor Trajectum. Deze keer: waar gaat zo’n introkamp van Journalistiekstudenten eigenlijk echt over?

Ik was gewaarschuwd. Het zouden dagen worden met weinig slaap, waarin er misschien wel allerlei nare ongelukjes konden gebeuren, waarin, zo verzekerde een ouderejaars me, er af en toe ‘een barfje werd gelegd’. ‘Een wát?’ Hij lachte. ‘Dat je dronken, kotsende studenten naar hun bed gaat brengen.’ Voor het eerst begeleidde ik dit jaar, samen met een (meer ervaren) collega het introkamp van de School voor Journalistiek, dat al bijna dertig jaar plaatsvindt in Baarn, midden in de natuur. Op precies te zijn: op Scoutcentrum Buitenzorg.

Die paar uurtjes slaap waren inderdaad heftig, maar verder was het een feest. Wat te denken van de eerste nacht, waarin, bij het kampvuur, een meisje haar ukelele pakte en daarmee haar eigen liederen begeleidde. Of het watergevecht (230 studenten!), de disco (top dj!), de broodjes knakworst midden in de nacht, de lieve collega’s die kwamen mee-eten en die je op zo’n kamp toch nét even iets beter leert kennen, de briljante filmpjes die de ouderejaars elke dag maakten, de geweldige talkshow ’s avonds, helemaal georganiseerd door studenten en, last but not least, tv-maker/creatief duizendpoot Tim den Besten (een van de gasten) die tot laat bleef, met wie ik vreselijk heb gelachen en die door mij (‘Shit, ik moet nu écht gaan!’) naar de laatste trein werd gebracht. Gekotst werd er niet. Niet voor zover ik hebben kunnen zien althans.

En nee, natuurlijk was niet álles pais en vree. Gebral ging soms door tot in de vroege ochtend, een handjevol studenten werd gestoken door een wesp en anderen waren oververhit (het was zo’n 35 graden). Tijdens het bootfeest, de laatste avond, werd er door sommige nieuwelingen net iéts teveel gedronken. Dus daar zat ik dan toch nog, op de kade, met een kotszakje in de aanslag en een bezorgde moeder aan de telefoon. Of ze haar kind kon komen ophalen. Dat ie een barfje had gelegd, wilde ik zeggen, maar deed dat toch maar niet.

‘Ach, we zijn allemaal jong geweest,’ zei de vrouw om twee uur ’s nachts, terwijl ze haar zoon de auto induwde. Ondertussen veegde ze de laatste stukjes door hem uitgespuugde hamburgerrestjes van haar jas.