Roosteren met veel minder lokalen: Wat vinden de roosteraars daarvan?

Van alle instituten is het IED het hardst getroffen door de teruggang in lokalen: het ging van 24 naar 16. Hoe doen ze dat?

Marian van Gend en Marjan van de Hoef maken de roosters bij het Institute of Engineering and Design (IED), al respectievelijk 12 en 30 jaar. Van alle instituten is het IED het hardst getroffen door de teruggang in lokalen: het ging van 24 naar 16.

Hoe gaat het met jullie?
‘Met ons gaat het prima,’ zegt Van Gend stralend. Maar, het nieuwe beperkte aantal lokalen noemt ze ‘zonde voor het onderwijs’. Vroeger was de student het uitgangspunt: zijn lesrooster moest netjes aansluiten, hij moest genoeg pauze krijgen en het liefst een dagje vrij elke week. ‘Dat kan nu niet meer. Nu nemen ze het lokaal als uitgangspunt. Daar moet het allemaal in passen.’

‘De docentenroosters worden er ook niet mooier op’

De docentenroosters worden er ook niet mooier op. ‘Het zal vaker voorkomen dat een docent lang op school moet zitten of dat zijn dag eruit ziet als een gatenkaas. Ook ontkomen de roosteraars er niet aan om hun docenten soms naar een ander gebouw te sturen. Dat is vooral onhandig als er tussen de lessen geen tijd zit. Dan moet hij dus tien minuten eerder stoppen en dan wordt zo’n les wel kort.’

Om de roosteraars te helpen, bedachten de collega’s van  het instituut alvast wat voorwaarden voor meer flexibiliteit. Zo zijn de contacturen van de studenten verlaagd, van twaalf naar zes*. Dat vindt Van Gend jammer, vooral voor de eerstejaars. ‘Die hebben steun nodig van hun docenten en van elkaar. De vraag is of ze met zes uur per week genoeg kunnen opbouwen om zich thuis te voelen.’


‘Nu zijn we afhankelijk van anderen. We vergaderen ons suf ‘

De dertig roosteraars zitten allemaal op de tweede verdieping op Padualaan 101. De sfeer is gemoedelijk, ze hebben elkaar nodig. In juni krijgen ze de database van het systeembeheer en moeten ze binnen zes weken voor volgend jaar een nieuw lesrooster maken. Als eerste verdelen ze onderling de hoorcollegezalen. Het liefst wil elke opleiding op maandagochtend hoorcollege. Dat werkt lekker, dan kun je vanuit daar de rest van de week de werkcolleges en de practica plannen. Maar dat gaat dus niet. Ze moeten overleggen.

Van de Hoef heeft in die dertig jaar alle trends al eens meegemaakt, in golfbewegingen. Maar zo extreem gecentraliseerd als nu was het nog nooit. ‘Vroeger deden we alles zelf. Nu zijn we afhankelijk van anderen. We vergaderen ons suf.’  Van Gend voegt eraan toe: ‘Het ene moment zijn we aan het wachten en het volgende moment hebben we het zo druk dat we het weekend moeten doorwerken. We hebben te maken met harde deadlines, maar soms is het onmogelijk om iets kloppend te maken.’

Als grootse bezwaar van het gebrek aan lokalen noemen de roosteraars dat de identiteit van de gebouwen verdwijnt. Vroeger ademde een opleiding zijn eigen sfeer uit, studenten en docenten wisten elkaar te vinden. Nu, ook door het flexwerken trouwens, is iedereen overal. Skypen en mailen maakt het niet beter. Een nieuwe collega? Het duurt soms maanden voordat je die leert kennen. Om die gezelligheid terug te krijgen, zouden ze weer wat ruimten moeten afbakenen, oppert Van de Hoef. ‘Geef bijvoorbeeld de docenten van elke opleiding een eigen plek’. Het liefst ziet ze de kleine schooltjes weer terugkomen. ‘Het zou zonde zijn als studenten afknappen op de HU omdat ze zich er niet thuis voelen.’


‘We blijven lachen’

Is het niet handiger als docenten hun eigen rooster samenstellen? De vraag kwam afgelopen maanden meermaals op. ‘Laat ze het zelf uitzoeken, onderling,’ zo klonk het. De dames schudden eensgezind hun hoofd. ‘Nee, ten eerste zouden we dat voor ons heel jammer vinden, maar belangrijker: het zou een chaos worden, want docenten hebben het overzicht niet. Bovendien zouden de kordaten de ideale lestijden krijgen en de rest het zou het onderspit delven’.

Hoeveel er in hun hoofd is opgeslagen, realiseerden ze zich pas toen ze eens een zieke collega van een ander instituut moesten vervangen. Dat was praktisch onmogelijk. Ze hebben zoveel om rekening mee te houden, het zou teveel tijd kosten om dat in de computer zetten. Het gros van de docenten werkt deeltijds en ze hebben vaak  recht op thuiswerkdagen. En dan hebben we het nog niet eens over docenten die ook op andere instituten werken, in de avond lesgeven, gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn, aan commissies deelnemen enzovoort. Van de Hoef: ‘Een computer kan in theorie ook een rooster maken. Maar je wil niet weten wat er dan uitkomt, haha!’

Vinden de roosteraars het nog leuk? Ja! Het duo wordt door hun collega’s de M&M’s genoemd en delen dezelfde humor. Natuurlijk, soms zijn ze gefrustreerd, maar ze weten inmiddels ook: dat helpt ze geen stap verder. ‘We blijven lachen,’ klinkt het in koor.

*De reductie van de contacttijd naar 6 uur heeft alleen betrekking op het onderwijs in de zogenaamde 30-lokalen. Naast deze 6 uur wordt er ook onderwijs gegeven in andere ruimten, zoals hoorcollegezalen, practica- en projectruimten.

Deel via...

Geef een reactie Let bij het reageren op onze spelregels.

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *