Tenger figuur, weinig eetlust: al snel denken mensen aan anorexia. Toch kun je een stoornis als deze lang niet altijd van de buitenkant zien, zegt student Social Work Sophie Nicolai (25). Ze werkt als begeleider bij Schakel-Om, een begeleid-wonen constructie voor studenten met een eetstoornis. We vragen haar: wat kun je doen als buitenstaander? En wat zeg je vooral niet?
Samen met haar collega’s biedt Sophie dagelijks begeleiding aan jonge meiden. In het complex net naast het Diakonessenhuis is er plaats voor negen mensen. Soms zijn ze student, in elk geval hebben ze een binding met Utrecht. Bij Schakel-Om willen ze samen in gesprek gaan over de spanningen die een eetstoornis met zich mee kunnen brengen. Dat gaat over gezamenlijke eetmomenten met ‘de meiden’ – zoals ze die noemt – tot wekelijkse gesprekken over hun voortgang. Het doel? Uitzoomen van de eetstoornis en inzoomen op durven leven.
Als een van de weinige begeleiders heeft Sophie zelf geen eetstoornis gehad. Haar weg naar Lister begon bij een ervaring met een goede vriendin. Zij raakte drie jaar geleden in de ban van anorexia. ‘Ik was heel verdrietig. Ze had een bepaalde leegte in haar ogen, de vrolijke zij was niet te zien.’
Geen idee
‘Ik weet nog dat ik zei: “Ik kan het niet oplossen, maar we kunnen het wel samen ontdekken.” Maar ik had geen idee wat ik aan het doen was.’
Die onmacht hield haar niet tegen. ‘Ik vond het ook doodeng: niet weten wat er in iemand omgaat en wat iemand doet als je er niet bent.’ Later hoorde ze hoeveel haar vriendin dit had gewaardeerd. ‘Ze voelde dat ze meer dan die eetstoornis was.’
De cijfers
In Nederland hebben ruim 220.000 mensen een eetstoornis: naar schatting 0,5% van de bevolking heeft anorexia, 1,5% boulimia en 2,5% een eetbuistoornis. Een eetstoornis ontstaat vooral in de pubertijd, bij kinderen tussen de 15 en 19 jaar oud. Hiervan is het overgrote deel vrouw (95%).
Die vriendschap veranderde ook Sophies beeld van een eetstoornis. ‘Ik dacht altijd dat het om de eetmomenten zelf ging. Tot ik besefte: de gedachten, angsten en gevoelens rondom eten, lichaam en zelfbeeld zijn er de hele dag, bij alles wat je doet.’
‘Het probleem voor omstanders is dat ze een ziekte de overhand zien nemen. Daardoor verliezen ze de persoon van wie ze houden,’ vertelt Sophie. ‘Ze weten dan niet meer hoe ze zich moeten opstellen. Ik heb gezien hoe mensen uit angst naar de achtergrond kunnen treden.’ Begrijpelijk, zegt ze, ‘maar je kunt juist heel veel betekenen voor iemand’.

Persoon buiten eetstoornis zien
Als buitenstaander moet je verder kijken dan het eten, ziet zij. ‘Het idee bestaat dat meiden met een eetstoornis iets moeten doen aan hun eetgedrag. Maar dat gedrag komt altijd ergens vandaan.’
Vaak gaat het om een trauma of angst – waarbij het eetgedrag houvast biedt op een vast moment dat iemand elders geen controle voelt. ‘Dus door de focus als buitenstander op het eten te leggen, maak je het groter in het hoofd van de persoon zelf. Terwijl dat juist kleiner moet.’
In het hoofd
Want precies die gedachten zijn lastig voor mensen om te begrijpen. Ze zijn er altijd. Ook bij een college is het een oorverdovende ruis, vertelt Sophie. ‘Het lichaam zit in de zaal, maar de gedachtes zijn ergens anders. Je kunt je niet concentreren, of wat de docent vertelt gaat langs je heen.’
Op de achtergrond is juist een andere les hoorbaar: wat heb ik vandaag al gegeten, is mijn buik opgezwollen of wanneer heb ik tijd om naar het toilet te gaan?
Signaleren
Die onzichtbare innerlijke strijd maakt het moeilijk voor de buitenwereld om het te signaleren, ook door de verschillende varianten van eetstoornissen. Iemand met overgewicht of een normaal gewicht kan ook een stoornis hebben: ‘Daar hoef je niet flinterdun voor te zijn.’
Toch hebben de meeste varianten vaak één ding gemeen: ‘Extreme vermoeidheid en slechte concentratie’, zegt Sophie. Een eetstoornis kost namelijk gigantisch veel energie, ‘juist omdat eten voor een ander het meest vanzelfsprekende element van de dag is’.

Sophie waarschuwt wel: niet alles is verstandig om te zeggen. ‘Zeg niet: “moet je dat wel eten?” Of: “hé, wat ben je mooi afgevallen.” Dat versterkt boze gedachtes in het hoofd, of bevestigt juist hoe goed ze zijn afgevallen.’ Mensen met een eetstoornis hebben vaak geen realistisch beeld van hun lijf, dus dat kan nog meer schade aanrichten.’
Wat dan wel?
Signaleren is één ding, maar wat doe je er vervolgens mee? Sophie benadrukt dat je het gesprek niet over het eten hoeft te laten gaan. ‘Spreek uit wat je ziet. Niet gefocust op het eten, maar dat je je zorgen maakt om de persoon’. Een simpele opmerking kan al genoeg zijn. ‘Ik merkte op dat je de laatste tijd niet veel tijdens de lunch eet. Ben je oké?’
Nog belangrijker dan de woorden is de intentie erachter. ‘Ik zag dat je gespannen was, vind je het fijn om het daarover te hebben?’ Daarmee leg je de nadruk niet op wat iemand wel of niet eet, maar op hoe diegene zich voelt.
En als je zelf het antwoord niet weet – ‘dan is er altijd een vertrouwenspersoon op de HU’, weet Sophie. ‘Vertel je klasgenoot dat je naast ze staat en dat er veilige mogelijkheden zijn op de campus. Daar help je ook mee.’
Zoeken naar hulp
Want vaak komen die donkere gedachtes er alleen uit met professionele hulp – zoals in het wooncomplex waar Sophie werkzaam is. ‘De aanleiding om hulp te zoeken verschilt per persoon. Bij de één zijn het familie en vrienden die de motivatie geven, bij de ander juist de eenzaamheid of het moment dat verbergen niet meer lukt. Pas door professionele hulp zien ze hoe hun denkpatronen afwijken.’ Volgens haar is daarom die steun en signalering zo belangrijk.
Ze ziet hoe het samenzijn met lotgenoten hen weer op de been kan helpen. ‘Eens in de zoveel tijd hebben we een community-avond waar we samenkomen en een activiteit ondernemen,’ vertelt Sophie. De laatste keer stond in het teken van muziek: ‘iedereen koos een nummer dat iets voor hen had betekend’.
Ook op de moeilijke momenten zijn herkenning en acceptatie belangrijk, bijvoorbeeld bij de spanning rondom een weegmoment bij de behandelaar. Sophie brengt ze dan met vragen op andere gedachten, ‘door te benoemen dat die spanning er mag zijn en dat ze er niet alleen voor staan.’

Mannen
De studio’s van Schakel-Om zijn tot nu toe alleen gevuld met vrouwen, ‘maar mannen zijn ook welkom!’. Het is volgens Sophie een misvatting dat een eetstoornis gekoppeld is aan vrouwen. ‘Bij mannen zit er een bepaald stigma op, alsof het voor een man gek is om met je gewicht bezig te zijn.’ De focus ligt hier vaker op veel sporten en een afgetraind lichaam – goed, volgens haar, maar die obsessie kan funest zijn.
Meer cijfers
In Nederland lijden meer vrouwen aan een eetstoornis dan mannen – 150 tegenover 15 per 100.000 inwoners (CBS). Het werkelijke aantal mannen ligt vermoedelijk hoger, omdat zij minder snel hulp zoeken. Bij mannen gaat het vaker om een Binge Eating Disorder (een derde tot de helft van de patiënten is man), terwijl bij anorexia en boulimia ongeveer 10 procent man is.
Vertekend beeld
Ook social media speelt een rol, ziet Sophie, al wijst ze niet met één beschuldigende vinger. De catwalks met graatmagere modellen hebben eveneens hun effect. ‘Heroïne Chic lijkt weer terug van weggeweest, alsof de jaren van body positivity nooit zijn geweest.’ Zeer kwalijk, zegt Sophie, ‘want dit geeft een beeld af alsof een lijf als dit normaal en gezond is. Je brengt ideeën in iemands hoofd die niet realistisch zijn.’
Het is precies het beeld waar Sophie in haar werk dagelijks tegenin probeert te gaan: niet het gewicht, maar de persoon erachter. ‘Ze voelde dat ze meer dan die eetstoornis was,’ zei ze eerder over haar vriendin. En dat is, uiteindelijk, ook wat ze ‘de meiden’ in haar gebouw wil laten inzien.


