Achtergrond

Hoe ga je om met zorgvragende studenten: ‘Iedereen worstelt ermee’

Kom niet altijd aan met aanvullende zorg voor studenten, maar maak studenten ook weerbaarder met goed onderwijs. Dat was vorige week de boodschap van onze onderwijsminister. Ouders kunnen hun kinderen bovendien wat weerbaarder maken, vindt ze. Wat vinden docenten en studenten van Hogeschool Utrecht daarvan?

Onderwijsminister Rianne Letschert is niet van plan meer geld uit te trekken voor het welzijn van studenten. Ze vindt dat er een ‘ander perspectief’ nodig is. Individuele zorgvragen van studenten zouden het onderwijs volgens haar overvragen. Met goed onderwijs kunnen studenten ook zelfvertrouwen opbouwen en worden ze ‘weerbaarder’.

Maar betekent het dat docenten vaker ‘nee’ moeten zeggen tegen studenten? ‘De rol die je vervult, is vaag’, vertelt Pabo-docent Léjon Saarloos (38). ‘Ik ben naast docent ook leerteambegeleider. Dat maakt het moeilijk om grenzen te stellen in waar je wel en niet mee kunt helpen. We worstelen er allemaal mee.’

‘Als docent kun je best nee zeggen’, vervolgt Saarloos. ‘Maar als leerteambegeleider ben je al blij dat je ze weer aan de slag hebt gekregen.’ Dat maakt het dus lastig om studenten de deur te wijzen, want het kán ook goed uitpakken. Onlangs kreeg hij nog een student met faalangst waar een heel verhaal achter bleek te zitten. Hij verwees haar naar een HU-psycholoog, met succes. ‘Achteraf kwam ze naar me toe om te vertellen hoeveel die hulp voor haar betekend heeft.’

Léjon Saarloos is docent aan de Pabo

Als studieloopbaanbegeleider voert hij ook veel gesprekken met mensen bij wie het goed lijkt te gaan. Bijvoorbeeld als iemand hoge cijfers haalt stelt hij de vraag of het veel moeite kost en of ‘je ook een zesje kan halen’. ‘Daar komt dan soms uit dat ze hele hoge eisen stellen aan zichzelf. Dat is ook een gesprek waard.’

Nee is nee

Maar wanneer zeg je ‘nee’ op een vraag naar extra zorg? Mariska van Berkel (57) is bij Integrale Veiligheidskunde docent én het aanspreekpunt voor gevoelige thema’s. ‘Ik ben er niet voor thuiszorg en niet voor mantelzorg’, zegt ze. ‘Ook het helpen met financiën bij een student met geldstress is niet aan mij. Daar weet een decaan veel meer vanaf’. Ze zegt zelf de focus te leggen op de studievoortgang en hoe zie hierin kan bijstaan, ‘maar ik ben natuurlijk geen psycholoog.’

Ze benoemt dat je als docent altijd ‘nee’ moet kunnen zeggen. Wanneer? ‘Dát is een kwestie van aanvoelen’, zegt Van Berkel. ‘Een van onze docenten kreeg een suïcidekwestie op zijn bord, terwijl hij daar zelf een verleden mee had. ‘Dan is verwijzen naar een collega of decaan een betere optie’, zegt ze.

Saarloos ziet dit ook. ‘Mensen in de rouw of mantelzorgers dragen zware lasten, maar dat is niet aan een docent om te behandelen. Bij een decaan ben je dan beter af voor hulp’. Hij zegt er vooral te zijn als eerste paar oren, ‘maar ik verwijs heel snel door.’

Zorg aan de HU

De hogeschool heeft 21 decanen, vijf psychologen en zes vertrouwenspersonen. Die laatste zijn een laagdrempelig aanspreekpunt voor alles omtrent sociale veiligheid: van discriminatie en agressie tot seksuele intimidatie. Decanen zijn er voor persoonlijke problemen die de studie beïnvloeden, zoals ziekte en financiële problemen. De psychologen bieden hulp bij langdurige mentale klachten als angst of depressies. Via het Student Support Center kan een student de juiste hulp vinden.

Als docenten vaker ‘nee’ zeggen, zou dat kunnen leiden tot minder vragen naar zorg bij studenten. Maar dat is ook zonde, vindt Van Berkel. Want dan ontneem je studenten de kans om door te kunnen gaan. Al is dat volgens haar soms juist wat ze niet moeten doen. ‘Sommige studenten moet je helpen realiseren dat ze soms de ruimte niet hebben om hun studie te volgen. Daar ben ik ook voor, om te kijken of studeren überhaupt mogelijk is in iemands situatie’. Maar als studenten die hulp niet krijgen, is er ook minder kans om hierover na te denken.

Mariska van Berkel is docent, aandachtsfunctionaris en studiehuiskamerbegeleider op de HU

Van Berkel vindt haar functie van aandachtsfunctionaris en huiskamerbegeleider – die studenten helpt om goed te kunnen studeren – soms ingewikkeld. Ze ziet weinig studenten in haar spreekuren en dat heeft een reden. ‘Ik vind het moeilijk om mijn rol bekend te maken zonder dat studenten denken: hé, dat is die zwever.’ Daardoor lopen de meeste vragen via docenten. ‘Ik sta in nauw contact met hen, zodat ik kan verschijnen wanneer het nodig is.’

Hoge drempel

‘Een docent staat veel dichterbij dan een decaan’, ziet ook Stella Rikkerink (20). Het helpt als haar docent een luisterend oor biedt. Maar nog beter is het als ze echt even helpen. ‘Iets als samen naar de huisarts bellen, dan leggen we de situatie uit. Dit is voor veel studenten al een grote opgave.’
Zo’n hulp gaat voor haar niet per sé te ver. Het is een kleine moeite voor de docent en het maakt een groot verschil voor de student.

Student Tamar de Rijke (18) vindt het enorm nuttig als studenten bevraagd worden. ‘Maar een leerteambegeleider mag altijd zelf bepalen tot welk punt die hulp gaat’. Dat uitvragen heeft soms al een groot effect; zo merkte zij op bij een vriendin die haar studiezaken niet op orde kreeg door stress thuis. ‘Je biedt een luisterend oor of biedt een psycholoog aan, dat is al goed.’

Voor studenten is het al een drempel om aan te kloppen, merkt Van Berkel. ‘Ik had bijvoorbeeld een student die naast haar studie ook zware mantelzorg-taken had. Ze wilde heel graag verder met haar studie, maar haar thuissituatie vroeg te veel aandacht.’ Studenten schamen zich vaak, ziet Van Berkel. ‘Ze vinden dat ze het zelf moeten kunnen. Dat verklaart ook waarom docenten vaak het eerste aanspreekpunt zijn. Niet omdat ze het meest geschikt zijn, maar vaak omdat ze dichtbij staan.’

Studenten Sophie Burley (links) en Stella Rikkerink (rechts)

Student Stella is het eens met Van Berkel. ‘Vaker nee zeggen tegen de hulpvraag is geen oplossing van het probleem’. Ze wijst ook op de drempel die studenten over moeten om hun probleem aan te kaarten. ‘Die is gigantisch, dus daar moet je voorzichtig in zijn. Je wil als student het gevoel krijgen dat je gehoord wordt.’

Zo zag student Sophie Burley (20) dat medestudenten er wel om vroegen, maar geen hulp kregen. Over precieze gevallen wil ze het niet hebben, ‘maar ze zaten met stress en veel studiedruk’. Het is volgens haar daarom belangrijk om hier secuur mee om te gaan. ‘Het is namelijk vervelend als je hint naar dat je hulp nodig hebt en die niet krijgt.’ Maar, zo voegt ze toe: ‘het is constant de vraag hoe ver de verantwoordelijkheid bij een docent gaat.’

Dat de instelling zelf ook bijdraagt aan de druk, blijkt uit de ervaring van Jade Kiens, student Leraar Geschiedenis. Dit jaar liep de stagezoektocht volledig vast. ‘Je werd voor de bus gegooid, je kreeg een lijst toegestuurd waar je achterna kon bellen, terwijl je vorig jaar nog een stageschool toebedeeld kreeg.’
Een aantal klasgenoten liep daardoor studievertraging op. ‘Het zijn precies die onduidelijkheden in de organisaties die de stress voor studenten onnodig vergroten. Als je dan ook nog een “nee” van je docent krijgt, weet je helemaal niet meer hoe je eruit komt.’

Ook Van Berkel ziet het belang voor betere structuur. ‘Zeker in het eerste jaar, een vast rooster geeft houvast. Op de middelbare school is er veel structuur, op de hogeschool ineens niet meer’. Volgens haar zou de hogeschool nieuwe studenten meer kunnen helpen in die overstap.

Weerbaarder worden

Een ander geluid van de onderwijsminister was dat studenten moeten leren omgaan met ongemak dat volgens haar bij het leven hoort en nooit geheel is weg te nemen. Ze riep ouders op om hun kinderen hier beter op voor te bereiden.

‘Dat Gen Z nergens meer tegen kan, vind ik onzin’, zegt Saarloos daarover. ‘Studenten zijn mondiger dan vroeger en geven beter hun grenzen aan.’ Een mailtje sturen met verzoek om uitstel is bijvoorbeeld heel normaal.
De toegenomen druk heeft volgens hem een concretere oorzaak. ‘Studeren is duur, leven is duur. Veel studenten hebben meerdere bijbaantjes en enorme tijdsdruk. Dat merk je.’ Meer weerbaarheid kweken is in zijn ogen dan ook te makkelijk gezegd. ‘Het is eerder een structuurprobleem.’

Studenten Tamar de Rijke (links) en Denise Vlasveld (rechts)

‘Er zijn meer ogen gericht op hoe mensen praten, er is meer gelegenheid om bepaalde dingen te benoemen’, ziet student Sophia Burley.. ‘Maar de valkuil is dat je ook te ver kunt gaan. We zijn minder goed in relativeren en we panikeren sneller’, zegt ze. ‘Maar’,  voegt ze eraan toe: ‘Andere generaties hadden dat ook. Het is ook gewoon een deel van jong zijn.’ Ouders hebben daar dus niet zoveel mee te maken.

‘Ik ben zelf opgegroeid met de mentaliteit ‘niet lullen maar poetsen’, vertelt Denise Vlasveld (22) daarover.  ’Alleen lijkt het leven soms wat donkerder dan vroeger. Kijk hoe duur het leven is en hoe moeilijk we aan een huis komen. Waar doe ik het dan nog voor?’, vraagt ze zich soms af. ‘Toch kun je jezelf een schop onder de kont geven’, beslist ze. ‘En wonderen verrichten.’