Nieuws

Welk studenttype ben jij?

HU-onderzoekers hebben ontdekt dat er vier studenttypes zijn: de Calculerende consument, de Gedreven zelfontplooier, de Doelloze opportunist en de Plichtsgetrouwe samenwerker. In hun e-book ‘Wat beweegt je student?’ vertellen ze docenten hoe ze deze types kunnen helpen het beste uit zichzelf en hun studie te halen.

Martin de Boer en Anne-Lise Kamphuis van het lectoraat Marketing, Marktonderzoek & Innovatie hebben onderzoek gedaan naar de drijfveren van studenten. Ze ontdekten dat studenten in standaard hokjes als man-vrouw, autochtoon- allochtoon, havo-vwo worden geplaatst, maar dat zegt niks over hun persoonlijke drijfveren, over hoe ze in het leven staan en wat hun studie daarin voor hen betekent.

Voor het onderzoek zijn docenten, studieloopbaanbegeleiders en studenten geïnterviewd en hebben propedeusestudenten van de FEM een vragenlijst ingevuld. Op basis hiervan zijn de vier studenttypen vastgesteld.

De Calculerende consument – Een anonieme student waar docenten geen hoogte van krijgen. Ze studeren omdat het moet en willen precies weten wat nodig is zodat ze geen onnodig extra werk doen.

De Gedreven zelfontplooier – Deze student wil graag het beste uit zichzelf halen en ziet de studie echt als voorbereiding op de carrière. Werkt graag individueel zonder strakke kaders

De Doelloze opportunist – Heeft geen doel voor ogen en wil vaak vooral genieten van het studentenleven. Studie is bijzaak. Heeft veel structuur, strakke regels en planning nodig.

De Plichtsgetrouwe samenwerker – Vindt de studie belangrijk en studeert hard om goede cijfers te halen. Vindt samenwerken beter dan alleen werken en voelt zich verantwoordelijk voor het eindresultaat van de groepsopdrachten.

Door zich bewust te zijn van de typologie kunnen docenten en studieloopbaanbegeleiders de verschillende studenttypen herkennen en hen op de juiste manier begeleiden. Vooral handig wanneer er werkgroepjes samengesteld moeten worden.

‘Wat beweegt je student?’ kun je online lezen.
 

 

 

 

4 thoughts on “Welk studenttype ben jij?

  1. Als je dit door je oogharen bekijkt, zie je dat het eigenlijk om een tweedeling gaat: de studenten die actief mee willen doen en de daarbij gewenste gedragingen en keuzes laten zien; de gewenste klant En aan de andere kant de slechte luiwammes die zelfs samenwerken laat afhangen van zijn ambitie om vooral zelf niet te veel te hoeven doen. De as actief-passief beïnvloedt de andere as van het model.
    Het schijnt dat dit soort marketing doelgroepsegmentatie wordt ingezet bij het verkopen en aan de man of vrouw brengen van producten of diensten. De student is in deze economische benadering klant en product tegelijk, aangezien het de bedoeling is iets -vastgelegd in leerdoelen en gewenste competenties- aan te leren via de middelen die het onderwijs publiek maar niet gratis ter beschikking stelt. Motivatie en ambitie is geen leerdoel op zich, maar een variabele die van invloed is op het leren. Samenwerken is daarentegen vaak wel een leerdoel, dat door iedere student in dat vakgebied behaald moet worden om beginnend beroepsbeoefenaar te worden.
    Helaas blijven de achterliggende oorzaken voor bepaald gedrag -oorzaken die veelal buiten het vakgebied van marketing liggen- onderbelicht. Tevens lijkt de notie achter de begrippen didactiek, pedagogiek en onderwijskunde nogal smal.
    Ik besef dat deze benadering is begonnen vanuit het startpunt om te simplificeren door mensen in willekeurige maar intuïtief juiste groepen te plaatsen. Als docent die in zijn onderwijs zo goed als mogelijk wil differentiëren vraag ik me af of ik daarmee een stap verder kom, of juist twee stappen achteruit zet? Mogen mensen iets diverser zijn in ons onderwijs en het HBO praktijkonderzoek naar mensen iets minder intuïtief? Ik vraag me onder meer ook af welke methodes er worden ingezet om HBO praktijkonderzoek aan de eisen van falsificeer- of verifieerbaarheid te laten voldoen?

  2. Patrick Ubags heeft een uitgebreide beschouwing geschreven over ons boekje ’Wat beweegt je student? Werken met studenttypen voor meer studiesucces’. Het boekje dat ook online beschikbaar is via http://issuu.com/hogeschoolutrecht/docs/wat_beweegt_je_student.

    Wij zijn niet alleen (markt)onderzoekers, maar ook docent. Doelgroepsegmentatie wordt inderdaad ook in marketing gebruikt, maar zeker niet uitsluitend in dat vakgebied. Modellen waarin verschillen tussen mensen volgens een bepaalde systematiek in kaart worden gebracht, worden in tal van vakgebieden gebruikt, van hulpverlening tot management. Dit omdat dit soort modellen vaak helpen om situaties en mensen beter te begrijpen en sneller de juiste aanpak te zien.

    Segmentatie op basis van motivaties is in de psychologie ontwikkeld om naar menselijk gedrag te kijken, en later zijn deze psychologische inzichten binnen (bepaald) marktonderzoek toegepast.

    We hebben in ons model de belangrijkste motivaties achter het gedrag en de voorkeuren van studenten in kaart gebracht. Wat de uiteindelijke bron van die motivaties is, voert in deze context te ver, en is waarschijnlijk, zelfs met diep psychologisch onderzoek, niet eens goed te achterhalen.

    Patrick kwalificeert ons onderzoek als niet verifieerbaar en niet falsifieerbaar en als intuïtief. Onze reactie daarop is dat het onderzoek zorgvuldig volgens wetenschappelijke aanpak is uitgevoerd. We hebben aangetoond dat ons model statistisch betrouwbaar en valide is: een ieder die de vragenlijst, onze database en rapportage van analyses wil inzien, is van harte welkom. De geldigheid en het nut is ook in de praktijk gebleken: docenten herkennen de studenttypen, het inspireert hen en ze willen er mee gaan werken. Met andere woorden, het voldoet aan de criteria van goed praktijkgericht onderzoek. Er is nog geen publicatie verschenen, die willen we gaan maken op basis van de ervaringen met het model binnen Hogeschool Utrecht dit collegejaar.

    Onze aanname dat de studenttypen verschillen in studiehouding, studiegedrag, studiesucces, aanwezigheid, evaluaties, etc. op een wijze zoals we die hebben afgeleid uit het model, is uiteraard te verifiëren of te falsifiëren in de praktijk. Dat doen we door via het studentnummer deze uitkomsten te koppelen aan het studenttype. Dat is wat we vorig cursusjaar al hebben gedaan en blijven monitoren. Zo toetsen we het model en kunnen we het ook weer verrijken. Een opeenvolging van evidence based practice en practice based evidence die praktische relevantie en methodische grondigheid waarborgt. Belangrijker nog: we kunnen de effecten van onderwijs(vernieuwingen) op de verschillende studenttypen volgen.

    Patrick bekijkt het model door zijn oogharen en ziet twee studenttypen: de gewenste klant en de slechte luiwammes. Als Patrick zijn ogen verder open doet zou hij mogelijk zien dat we veel genuanceerder zijn in de beschrijving van de studenttypen en dat we niet alleen actieve en passieve studenten onderscheiden, maar ook studenten die voornamelijk op zichzelf zijn gericht en die voornamelijk op anderen zijn gericht. Overigens, alle kenmerken die we van de studenttypen beschrijven, zijn gemeten met de vragenlijst, daarbij is niets verzonnen of intuïtief ingevuld.

    Samenwerken is inderdaad vaak een leerdoel. De verticale as in ons model gaat over het naar buiten of juist naar binnen gericht zijn, en daarmee in verband de behoefte aan (bepaalde vormen van) samenwerking. Dit is een variabele die van invloed blijkt op de geprefereerde leeromgeving van studenten. Samenwerken (een aspect van de verticale as) wordt overigens niet alleen “beïnvloed” door actieve studiehouding (de horizontale as), we beschrijven ook andere drijfveren.

    Zoals het doel is van elk model hebben we ook hier “de werkelijkheid gesimplificeerd”. En daarbij hebben we ons beperkt tot de drijfveren en motivaties van studenten. We laten zien dat dit aanknopingspunten biedt voor didactiek en begeleiding. Onze werkwijze was niet “mensen in willekeurige maar intuïtief juiste groepen te plaatsen”. De assen waarmee we de groepen indelen zijn niet willekeurig maar komen als dominante statistisch meest onderscheidende factoren uit de data.

    Natuurlijk is het model een simplificering van de werkelijkheid, en het is belangrijk dat docenten zich dit realiseren. Maar tot nu toe hebben we in de praktijk gemerkt dat het model docenten juist meer gedifferentieerd naar studenten laat kijken. In plaats van te denken in termen van ‘dé student’, helpt ons model docenten om te kijken naar verschillen tussen studenten.

    Martin de Boer en Anne-Lise Kamphuis

  3. Dank Martin en Anne Lise voor jullie uitgebreide reactie,
    Ik heb jullie boekje uiteraard met mijn ogen open gelezen. Ik wil ook best aannemen dat jullie geloven in het model en ik wil ook best meegaan in jullie experiment. Maar ik wil ook kritisch kunnen blijven, zeker gezien het feit dat dit als product van HBO praktijkonderzoek uit een lectoraat wordt gepresenteerd. De vraag over falsificeerbaarheid en verifieerbaarheid staat nog open. Ikstel daar slechts vragen, de antwoorden laat ik aan jullie.
    Als ik meega in dit tweedimensionale model van studenten, dan krijgen alle studenten een positie in een kwadrant. Jullie geven aan dat jullie zelf docent zijn. Om “sneller de juiste aanpak te zien”.
    Wat is dan de volgende didactisch-pedagogische stap? Met andere woorden: wat doe ik precies met een student die iin een “slecht” kwadrant zit op basis van de studenteigenschappen die imodel me verschaft? En wat met iemand die in een “goed” kwadrant zit en toch slecht scoort ( en bij wie ik na nadere bestudering en differentiatie een sterkere oorzakelijke relatie bespeur tussen een gediagnosticeerde stoornis, problemen met taal, of een verslaving om maar wat zaken te noemen?)

  4. Hoi Patrick je punt is helder. Dit is niet een allesomvattend oorzakelijk model maar een invalshoek die je mee kunt nemen. Natuurlijk kun en moet je met veel meer aspecten rekening houden bij de begeleiding van individuen.

    Het blijkt wel veel docenten te inspireren
    Ze willen gaan ontdekken wat ze er mee kunnen pedagogisch en didactisch. Dat is precies ons doel.

    Daar hebben wij nog geen pasklare antwoorden op.De bruikbaarheid-effectiviteit van wat je er werkelijk mee kunt om het studiesucces te verhogen moet dus nog wel in de praktijk worden gevalideerd. We hopen de effecten van pilots te kunnen gaan meten. Zie ook het tel.interview op hogeronderwijs.nu

Reageren? Graag!

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *