Ingezonden artikel

De stilte over toenemend antisemitisme

Rien Claassen Foto: Kees Rutten

Waarom we antisemitisme aan de HU bespreekbaar moeten maken. Een ingezonden opinieartikel van docent Rien Claassen.

Over de auteur
Dit is een ingezonden stuk van Rien Claassen. Hij is docent aan de Hogeschool Utrecht en historicus. Hij is co-auteur van het boek ‘Historisch Denken – basisboek voor de vakdocent’.
In 2024 gaf hij een honoursmodule over ‘de Holocaust en het verschijnsel antisemitisme in historisch perspectief’. Ook heeft hij nascholingsconferenties en lezingen over de Holocaust georganiseerd en was voorzitter van het onderzoeksteam ‘Genocidestudies’ aan de HU. 

Joodse Nederlanders die hun Davidster onder hun kleding dragen. Studenten die liever niet vertellen dat ze Joods zijn. Mensen die vanwege hun afkomst worden aangesproken op de zienswijze van de Israëlische regering. Joodse Nederlanders die emigreren naar Israël vanwege de onveiligheid die zij ervaren op straat. Antisemitisme is niet alleen iets uit geschiedenisboeken. Ook in het Nederland van nu voelen steeds meer Joden zich onveilig. Dat vraagt iets van ons als onderwijsinstelling. Want zorgen voor een veilig leef- en leerklimaat hoort bij goed onderwijs. Joodse scholen in Nederland moeten permanent beveiligd worden. Al in een Europees onderzoek dat vóór 7 oktober 2023 werd uitgevoerd, gaf 77 procent van de ondervraagde Nederlandse Joden aan zichtbare Joodse symbolen te vermijden. En 78 procent zei zich vanwege hun Joods-zijn verantwoordelijk gehouden te voelen voor het optreden van de Israëlische regering.

Sindsdien liggen de geregistreerde aantallen antisemitische incidenten veel hoger dan vóór 7 oktober 2023. De politie registreerde vorig jaar 867 antisemitische incidenten, vrijwel evenveel als het recordniveau van 2024.

Recent onderzoek naar online antisemitisme laat bovendien een verdubbeling zien van het aandeel antisemitische berichten en een vervijfvoudiging van directe antisemitische bedreigingen tegen Joden in de periode 2021-2024.

De Hogeschool Utrecht is geen eiland. Wat in de samenleving gebeurt, komt ook onze gebouwen en collegezalen binnen.

De herinnering aan 7 oktober

Daarbij kunnen we niet om 7 oktober 2023 heen. Hamas en andere Palestijnse groepen vielen op die dag Israël binnen. Ongeveer 1200 mensen werden gedood en meer dan 250 mensen werden ontvoerd en meegenomen naar Gaza. Beelden die de daders zelf maakten tonen brute moorden op onschuldige burgers. Ook is grof seksueel geweld tegen vrouwen en kinderen in internationale onderzoeken gedocumenteerd. Voor veel Joodse mensen vormt die dag een breuklijn. Niet alleen vanwege wat er in Israël gebeurde, maar ook door wat snel daarna volgde: een sterke verharding van het maatschappelijke debat en een sterke toename van antisemitische incidenten, ook in Nederland.

Daar staat het leed van Palestijnse burgers tegenover. Ook dat verdient ruimte, aandacht en medemenselijkheid. Maar het ene leed hoeft het andere niet uit te wissen. Wie aandacht vraagt voor Gaza, hoeft 7 oktober niet te relativeren. Wie de slachtoffers van 7 oktober herdenkt, zoals in deze week zou moeten gebeuren, hoeft het Palestijnse leed niet te ontkennen. Juist in het onderwijs moet ruimte zijn voor beide werkelijkheden.

Een veilige leeromgeving

Bij de Hogeschool Utrecht leiden we studenten niet alleen op voor een beroep. Onderwijs gaat ook over persoonsvorming, kritisch denken en leren omgaan met mensen die anders naar de wereld kijken. Juist daarom moeten ook Israël en de Palestijnse gebieden besproken kunnen worden. Studenten mogen het beleid van de Israëlische regering bekritiseren. Ze mogen spreken over burgerslachtoffers, bezetting, nederzettingen, militaire operaties en internationaal recht. Maar kritisch denken betekent ook dat de kritiek op Israël zelf onderzocht mag worden. Welke bronnen worden gebruikt? Welke begrippen worden gekozen? Welke maatstaven worden aangelegd? En worden diezelfde maatstaven ook bij andere landen gehanteerd? Dat bleek recentelijk toen de NOS een programma uitzond voor jongeren – Het Israëlisch lijnenspel. Daarin wordt een door Hamas gepropageerde antisemitische gedachte over Groot-Israël klakkeloos als feit neergezet.

Diezelfde kritische houding vraagt om nog een ander onderscheid: dat tussen een staat, haar regering en individuele mensen. Een joodse student is geen vertegenwoordiger van Israël en hoeft zich niet te verantwoorden voor het beleid van Israëlische politici. Net zo min als een Palestijnse moslim verantwoordelijk mag worden gehouden voor de daden van Hamas of een Turkse student voor het optreden van president Erdoğan. Dat onderscheid lijkt vanzelfsprekend, maar juist daar gaat het geregeld mis. Wanneer mensen vanwege hun Joodse identiteit politieke verantwoording moeten afleggen, of het gevoel krijgen dat zij hun identiteit beter kunnen verbergen, wordt een internationaal conflict op hen persoonlijk geprojecteerd.

Taal doet ertoe

Ook de woorden die gebruikt worden verdienen aandacht. Termen als apartheid en genocide zijn de afgelopen jaren nadrukkelijk onderdeel geworden van het debat over Israël, zelfs binnen de eigen Hogeschoolraad. Het zijn begrippen met een specifieke historische en juridische betekenis. Juist daarom vragen ze om precisie. Verschillende mensenrechtenorganisaties en juridische instanties gebruiken of bespreken deze termen in relatie tot Israël en de Palestijnse gebieden, terwijl daarover ook juridische en inhoudelijke discussie bestaat. Het Internationaal Gerechtshof oordeelde in 2024 dat de vergaande scheiding tussen Israëlische kolonisten en Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever in strijd is met het verbod op rassendiscriminatie in het VN-verdrag tegen rassendiscriminatie, maar kwalificeerde de situatie zelf niet expliciet als apartheid. En laat ook duidelijk zijn: Israël blijft daarnaast het enige land in het Midden-Oosten waar Joden en meer dan twee miljoen moslims gelijke burgerrechten hebben. Over een genocide in Gaza heeft het Internationaal Gerechtshof nog geen eindoordeel uitgesproken.

Beide begrippen kunnen in het debat over  Israël en de Palestijnse gebieden worden gebruikt, maar het gebruik ervan vraagt om zorgvuldige uitleg van de juridische of inhoudelijke criteria waarop die kwalificatie berust. Het  kunnen ook woorden zijn om de haat tegen Israël aan te wakkeren. Dat is precies waarom een hogeschool de plek moet zijn waar studenten vragen leren stellen. Wat betekenen deze begrippen precies? Wie gebruikt ze en op basis van welke argumenten? Welke tegenargumenten bestaan er? Woorden als genocide en apartheid mogen geen gemakkelijke vervanging worden voor: ‘dit vind ik verschrikkelijk’. Taal doet ertoe.

Over wie heb je het precies?

Kritiek op Israël is niet hetzelfde als antisemitisme. Maar dat betekent evenmin dat iedere vorm van kritiek daarmee automatisch zorgvuldig, feitelijk of vrij van vooroordelen is. Kritiek kan omslaan in demonisering. Dat gebeurt wanneer niet langer concreet beleid wordt bekritiseerd maar Israël of Israëli’s als geheel worden voorgesteld als inherent kwaadaardig. Wanneer klassieke antisemitische beelden terugkeren in een discussie over Israël. Wanneer voor Israël andere maatstaven lijken te gelden dan voor andere staten. Of wanneer Nederlandse Joden worden behandeld als vertegenwoordigers van een buitenlandse staat. Juist daarom moet het mogelijk zijn om niet alleen Israël kritisch te bespreken, maar ook kritisch te kijken naar de manier waarop over Israël wordt gesproken. Wie bedoelen we in onze kritiek? Bedoelen we Joden? Israëli’s? De Israëlische regering? Het Israëlische leger? Zionisten? Kolonisten? Die woorden betekenen niet hetzelfde. Een docent kan met één eenvoudige vraag een gesprek veranderen: over wie heb je het precies?

Verharding nooit normaliseren

Dat vraagt soms om moed. Zeker in een klas waarin emoties hoog oplopen. Het is niet altijd gemakkelijk om in te grijpen wanneer een discussie over Israël en Gaza verhardt. Maar niets zeggen kan betekenen dat bepaald gedrag genormaliseerd wordt. Wanneer 7 oktober wordt gebagatelliseerd, gerechtvaardigd of verheerlijkt, moet een onderwijsinstelling duidelijk maken waar de grens ligt. Wanneer iemand over ‘de Joden’ spreekt terwijl hij de Israëlische regering bedoelt, moet dat gecorrigeerd worden. Wanneer een Joodse leerling persoonlijk wordt aangesproken op Gaza, hoort een docent in te grijpen. Vrijheid van debat kan alleen bestaan wanneer degene met wie je debatteert niet zelf vanwege afkomst of identiteit tot onderwerp van beschuldiging wordt gemaakt.

Meer dan herdenken

In Nederland besteden we veel aandacht aan de geschiedenis van het antisemitisme. We lezen over Anne Frank, bezoeken Westerbork, bespreken de Holocaust en staan op 4 mei twee minuten stil. Dat is belangrijk. Maar de lessen van toen krijgen pas werkelijk betekenis wanneer we antisemitisme ook herkennen als het zich in onze eigen tijd voordoet. Soms is dat overduidelijk: hakenkruisen, bedreigingen van Joodse scholen of vernietiging van Joodse graven op een oud kerkhof. Het kan ook subtieler zijn. Een Holocaustherdenking die wordt gebruikt om een actueel conflict uit te vechten. Een student die niet vertelt dat hij Joods is omdat hij geen discussie over Israël wil of iemand die zijn Davidster liever onder de jas verstopt.

Wanneer zoveel Nederlandse Joden delen van hun identiteit verborgen houden om problemen te voorkomen, moeten we ons als onderwijsinstelling afvragen wat dat kan betekenen voor de sociale veiligheid op onze Hogeschool. Is de HU een hogeschool waar iedereen gezien wordt in deze gepolariseerde tijden?

Kritisch en genuanceerd denken

Een veilige hogeschool is geen plek waar moeilijke onderwerpen worden vermeden, maar juist een plek waar nuance en nieuwsgierigheid de grondhouding vormen. Studenten moeten er leren hoe je bronnen controleert, argumenten onderzoekt en onderscheid maakt tussen feiten en slogans. Kritisch denken betekent ook onderzoeken hoe beeldvorming ontstaat: waarom bepaalde begrippen worden gebruikt, welke feiten en definities eraan ten grondslag liggen en welke tegenargumenten er zijn.

Genuanceerd denken in een veilige leeromgeving betekent dat je het leed van Palestijnse burgers kunt erkennen zonder de verschrikking van 7 oktober te relativeren. Dat je Israëlische angsten en zorgen kunt bespreken zonder automatisch te worden weggezet als iemand die de regering-Netanyahu steunt. Dat je het optreden van de Israëlische regering kunt bekritiseren zonder als antisemiet te worden bestempeld maar ook zonder Joden als groep voor dat beleid verantwoordelijk te houden. Dat je antisemitisme kunt herkennen wanneer het zich niet aandient in de vertrouwde beelden uit geschiedenisboeken, maar verweven raakt met hedendaagse politieke taal. Dat je antisemitische denkbeelden kunt benoemen binnen delen van politiek links, politiek rechts en moslimgemeenschappen, zonder hele groepen daarop vast te pinnen.

En uiteindelijk betekent het ook dat je naar een ander kunt luisteren zonder die ander te reduceren tot één identiteit of één politiek standpunt. Dat je, om het met de Franse denker Levinas te spreken, het gezicht van de ander blijft zien, ook wanneer je het fundamenteel met hem of haar oneens bent. Juist daar hoort het hoger onderwijs een hogere standaard te stellen dan het verhitte debat op straat.

Holle woorden

De Hogeschool Utrecht is een afspiegeling van de samenleving, maar hoeft niet iedere verharding uit die samenleving over te nemen. De HU zegt te streven naar een cultuur waarin we voorbeeldgedrag vertonen en over grenzen heen samenwerken. Juist hier kunnen we oefenen in iets wat daarbuiten steeds moeilijker lijkt te worden: stevig van mening verschillen en tegelijkertijd de ander veilig laten zijn wie hij is. Antisemitisme bespreekbaar maken hoort daarbij. Niet alleen op 4 mei. Niet alleen nadat ergens Joden zijn aangevallen of vermoord. Het moet bespreekbaar zijn op iedere dag waarop een Joodse Nederlander eerst nadenkt of het veilig genoeg is om zichtbaar Joods te zijn. En het moet zeker bespreekbaar zijn op 7 oktober.

Daarom mogen we ons juist in een paarse week, waarin diversiteit en gelijkheid centraal staan, afvragen waarom de angsten en zorgen van Joden nog zo weinig bespreekbaar of zichtbaar zijn op de Hogeschool Utrecht. Waarom geven we niet meer ruimte aan Joodse tradities en Joods leven, zoals we ook met andere gemeenschappen doen? Waarom besteden we niet structureler aandacht aan hedendaags antisemitisme? Waarom tonen we op 7 oktober niet zichtbaar  solidariteit met Joodse Nederlanders die met antisemitisme en bedreiging te maken hebben? Wat maakt ons hierin zo huiverig?

Inclusie en diversiteit zijn holle woorden wanneer een groep binnen onze samenleving eerst moet nadenken of het wel veilig genoeg is om zichtbaar te zijn.

Rien Claassen, docent HU

Wat zijn jouw ervaringen met dit onderwerp? Rien Claassen is benieuwd naar jouw verhaal en hoopt dat je het wilt delen, via een mail of een goed gesprek. Neem gerust contact op:

rien.claassen@hu.nl.

Reageren? Graag!

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *