Dolle bosbeleving met de deeltijd biologie

‘Die exoten zijn haast niet weg te krijgen. De enige Nederlandse kreeft leeft alleen nog in Arnhem in een park.’

Foto: Kees Rutten

De aarde draaide weer een rondje om de zon en het is lente. Tijd voor de deeltijd biologie om naar buiten te gaan. Eén uurtje in het bos met Jurgen Memelink en zijn studenten en de wist-je-datjes vliegen je om de oren  We hebben nog geen drie stappen gezet of hij begint: ‘Hoor je dat? Een tjiftjaf. Hij roept zijn eigen naam, tjif tjaf tjif tjaf tjif tjaf.’

Het is dinsdag 12:30 als we samen met zestien deeltijd biologiestudenten en drie medewerkers het pand op Padualaan 97 hebben verlaten en het Vogelenbos inlopen. We leren vandaag bodemonderzoek doen. Klinkt saai? Niets is minder waar.

RRRRRRRRRRRRRRRRRRR, hoor je dat?

We beginnen met een minuut stilte. Een bos kun je zien, ruiken en voelen, maar bovenal: horen. Iedereen houdt zijn adem in, kijkt omhoog of sluit de ogen. We luisteren naar het ecosysteem. Dan brandt het los. ‘Hoorde je die roodborst? Lange, hoge halen. En die winterkoning? Melodieuze zang met een maffe roller erin, rrrrrrrrrr. En de boomklever? Stuiterende roepjes, alsof je een steentje over het ijs gooit. Vooral niet te verwarren met de boomkruiper, die kan maar vijf tonen, en kan trouwens alleen maar omhoog op de stam,  niet omlaag, zoals de klever. Hoorde jij een havik? Zal wel een buizerd zijn.’

Docent Sophie Mooren wil weten: ‘Hoe dik is de strooisellaag hier?’ De klas kijkt naar de grond. We zien speenkruid, dat zijn kans schoon ziet nu de takken nog kaal zijn. ‘Straks ligt het in de schaduw en zal het meteen afsterven,’ merkt iemand op. De strooisellaag is dun. Geen naalden, geen bladeren. Dit bos staat op voedselrijke grond. Geen sparren of berken, wèl beuken en eiken. Mooren legt de opdracht uit: ‘Jullie gaan zo boren in groepjes van vier. Dit klinkt gek, maar dat doe je natuurlijk niet op het pad. Bekijk wat je in de aarde aantreft en meet de pH met je kitje.’

‘Hoe oud is dit zand?’

Het groepje van Sven (26) loopt twintig meter het bos in. Sven studeerde ooit Marketing en Mommunicatie en schreef een poos lang de teksten voor een dierentuin. Zijn liefde voor de natuur bleek groter en hij wil graag voor de klas. Hij duwt de boor de grond in, die is hard. ‘Dit is niet normaal joh, het lijkt wel cement.’ De vier boringen daarna gaan gemakkelijker. Wat hij naar boven haalt wordt steeds lichter van kleur. ‘Bizar hey, hoe oud is dit zand nou?’

Docent Memelink: ‘De bovenste laag is klei en daarna krijg je zand. Dat laatste is hier afgezet toen de Rijn nog over dit bos stroomde, tienduizend jaar geleden.’ Tegen Sven: ‘Let er trouwens op dat je het gat weer dicht maakt, voordat een hert zijn poot er in breekt, ’s nachts. In weilanden moet dat ook  – een boer is niet blij als zijn schaap zich bezeert.’

De klas maakt – normaal gesproken – vier keer per opleiding een uitstapje. In Utrecht onderzoeken de studenten het rivierkleilandschap, in Westbroek het veen, op Texel de duin- en zeeklei en in Zuid-Limburg het krijt-löss. Hier in Utrecht is de klei duizend jaar geleden afgezet door de rivier de Rijn. Memelink praat non-stop: ‘Klei is altijd voedselrijk door zijn vorm: kleine plaatjes. Die houden de mineralen en het water beter vast dan zand, dat veel grover en rond is. Kijk, daar heb je een roodborst, die vliegen nogal sloom over de grond en komen heel dichtbij.’

Rechts: Jurgen Memelink. Foto: Kees Rutten

Juf, dit klopt toch niet?

Sven heeft zijn pHmeter al een drie keer gebruikt. De waarde is steeds 5. ‘Dat klopt toch niet?’ Ze roepen docent Mooren erbij. Die informeert of ze het gereedschap goed hebben gewassen. ‘Het zou hier 7 moeten zijn. Wat gek. Nu ja, misschien kleurt de meter rood door het ijzer in de grond.’

Memelink legt uit dat zandgrond nog zuurder wordt door stikstof. ‘Daardoor verdwijnt ook kalk uit de bodem. De diertjes die in de bodem leven eten daardoor te weinig kalkrijk voedsel. Het gevolg is dat jonge vogels hun pootjes breken of dat het ei waarin ze zitten te vroeg barst.’

De studenten moeten hun volgende opdracht uitvoeren. Memelink: ‘Determineer alle soorten op honderd vierkante meter. Doe dat nog eens op een stuk grond ernaast. Vind je op het tweede stuk minder dan tien procent nieuwe soorten? Dan heb je de representatieve soorten voor het gebied.’ Wat ze zoal zullen vinden? Memelink somt zachtjes op: ‘Ridderzuring, gevlekt longkruid, fluitenkruid, bosanemoon, haagbeuk, zoete kers, klimop, meidoorn, zomereik en narcissen.’

Schildpadden, parkieten en andere vreemdelingen

Narcissen zijn exoten, ze komen oorspronkelijk uit de Alpen. Memelink: ‘In Utrecht hebben we enorm last van de duizendknoop. In de rest van Nederland wordt de watercrassula bestreden, voor miljoenen euro’s. Het lastige is dat je die wel kunt uitroeien, maar als je klaar bent, komt er een eend overvliegen met een stukje tussen z’n poten en je kunt weer opnieuw beginnen.’

Van de narcissen komt Memelink te spreken over schildpadden. ‘Exoten komen bij winkelcentra vandaan, of mensen nemen soorten mee terug van vakantie. Net als met schildpadden. Ze zijn zo schattig als ze baby zijn. Maar zodra ze dertig centimeter zijn, en de eigenaar realiseert zich dat hij er dertig jaar aan vast zit, worden ze in de gracht gegooid. Vandaar dat je ze nu overal vindt. Hetzelfde geldt voor de rivierkreeften. De oorspronkelijk Nederlandse variant leeft alleen nog in een park in Arnhem. Hij is verjaagd door de Amerikaanse, de Turkse en de Californische rivierkreeft. Die zijn agressiever en hebben parasieten waar zij wel tegen kunnen en de inheemse niet.’

Memelink: ‘Op Europees niveau spreken ambtenaren af welke dieren allemaal mogen worden geïmporteerd. Maar het duurt jaren voordat je zo’n wet hebt ontworpen. In de tussentijd is er een nieuw soort kreeft of schildpad in trek, en dan moeten ze daar weer jaren over gaan praten. In Utrecht hebben we nu de halsbandparkiet. Hij concurreert om nestruimte met andere holenbroeders. Maar aangezien hij niet schadelijk is voor de volksgezondheid en de landbouw, staat hij niet op de Europese lijst met de vijftig invasieve exoten. Dat hij de specht en de boomklever verdringt is blijkbaar niet erg genoeg.’

Rechts: Sven. Foto: Kees Rutten

Een ‘vette app

Nog niet genoeg van de parasieten? De laatste dan. We praten over de zonnebaars. ‘Die vreet alles wat voor zijn bek komt,’ aldus Memelink. ‘In een Brabantse ven had hij alle salamanders opgegeten. Staatsbosbeheer pompte dus die vijver leeg, inclusief zonnebaarzen en gaf de salamanders weer een kans. Een collega van me was er drie weken later en zag een vrouw een emmer van die beesten leeggooien in diezelfde vijver.’

Volgens Memelink realiseren we ons niet genoeg hoe duur en bewerkelijk het is om tegen exoten te strijden. ‘Omdat we het zielig vinden laten we dieren vrij met als gevolg dat het veel zieliger is voor de Nederlandse soorten omdat die de concurrentie strijd meer dan eens verliezen.’

Zijn blik glijdt over zijn groep studenten in het bos. Eén van de jongens roept hem. ‘Wiewoewiewoe, hoor je dat? Een buizerd. Hoe ik dat weet? Er bestaat een vette app voor.’ Bij trekt zijn mobiel uit zak en laat me zien: Birdnet. En nu maar oefenen.

Ook interessant: Hu-expert Meindert Scholma over de staattsschuld

Volg ons op Instagram
Reageer!
Reageer!
Deel via...

Geef een reactie Let bij het reageren op onze spelregels.

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *