Achtergrond

FORUM Medezeggenschap succesvol bij goed contact met bestuurder

Doordat leden van de centrale medezeggenschapsraad participeren in beleidsvoorbereidende commissies van het college van bestuur, is de CMR goed op de hoogte van de beleidsplannen. Bij de opstelling van het beleid kan rekening gehouden worden met de ideeën van de CMR. Dit betoogt René Versteegh in een reactie op scheidend CMR-lid Gert Lijkendijk die vindt dat nauwe banden van raadsleden met bestuurders onwenselijk zijn.

In zijn bijdrage aan het Forum (in Trajectum nummer 10) poneert Gert Lijkendijk de stelling dat medezeggenschapsraden voorzichtig moeten zijn als zij willen participeren in beleids- en beleidsvoorbereidende commissies. Hij gaat er hierbij van uit dat medezeggenschapsraden voornamelijk een controlerende rol hebben en baseert dit uitgangspunt op de rechten en plichten van de medezeggenschapsraden.

Gert is een zeer gewaardeerd lid van de centrale medezeggenschapsraad (CMR) en ik maak dankbaar gebruik van zijn adviezen en ideeën, maar over dit uitgangspunt verschillen wij van mening. Medezeggenschapsraden zijn juist ingesteld opdat studenten en medewerkers invloed kunnen uitoefenen op het voorgenomen beleid van het college van bestuur (cvb). Natuurlijk zit daar ook een controlerend aspect aan, de raad zal controleren of het cvb zich aan de beleidsafspraken houdt en of de gewenste resultaten geboekt worden.

 

Maar de nadruk ligt op het meedenken en adviseren over het beleid van de hogeschool. De raad van toezicht is het orgaan dat, de naam zegt het al, toezicht houdt op het cvb en de hogeschool controleert. De CMR en andere medezeggenschapsraden op de hogeschool zijn inspraakorganen die, volgens de betekenis van medezeggenschap, het recht hebben mee te doen bij besprekingen en in besluitvorming. De raad is in de eerste plaats een adviesorgaan met verregaande bevoegdheden die vastgelegd zijn in de instemmingsrechten.

In de Memorie van Toelichting bij de nieuwe Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) wordt het als volgt verwoord: ‘Medezeggenschap van personeel en studenten vervult een belangrijke functie in de instellingen voor hoger onderwijs. Medezeggenschap draagt bij aan de kwaliteit en doelmatigheid van het bestuur doordat adviezen, overwegingen en inzichten van personeel en studenten worden betrokken in bestuurlijke afwegingen bij de besluitvorming. Hierdoor kunnen de positie en de belangen van personeel en studenten in bestuurlijke processen voldoende in de afweging worden betrokken (countervailing power).’

De medezeggenschapsraden hebben verschillende mogelijkheden om invloed op het beleid uit te oefenen. In het verleden wachtten ze vaak af tot de bestuurder een uitgewerkt beleidsplan aan de raad voorlegde. Al gauw werd duidelijk dat dat niet erg effectief was. Het beleidsplan was het resultaat van ingewikkelde onderhandelingen met verschillende partijen. Voor de medezeggenschapsraden was het vaak niet mogelijk om nog iets te veranderen. Je moest wel erg fundamentele bezwaren tegen het voorgenomen beleid hebben om het tegen te houden. Een eigen inbreng geven was vaak niet meer mogelijk.

Een stap in de goede richting werd gezet doordat de bestuurder, na aandringen, conceptversies van beleidsplannen aan de raad voorlegde. De CMR heeft goede ervaringen met de bespreking van onder andere Koers 2012 (strategisch beleidsplan van de HU; red.) en het HRM-beleidsplan (personeelsbeleidsplan; red.), waarbij in een vroegtijdig stadium conceptversies aan de raad ter bespreking voorgelegd werden. In de praktijk blijkt het echter ondanks aandringen vaak moeilijk om als hele raad daadwerkelijk tijdig bij de beleidsvoorbereiding betrokken te worden. Bestuurders leggen niet graag conceptversies aan de hele raad voor als het nog onduidelijk welke kant het op zal gaan, terwijl de raad juist graag wil weten voor welke dilemma’s de bestuurder staat en daarover mee wil praten. Het zou mooi zijn als er een goede vorm gevonden wordt om de raad op het juiste moment te betrekken bij de bestuurlijke afwegingen die gemaakt worden.

De laatste jaren hebben leden van de CMR steeds vaker geparticipeerd in beleidsvoorbereidende commissies. Op deze manier is de CMR goed op de hoogte van de beleidsplannen en kan er bij de opstelling van het beleid rekening gehouden worden met de ideeën van de CMR. Een duidelijk voorbeeld hiervan is het beleid met betrekking tot en ontwikkeling van de studieloopbaanbegeleiding. Het is een goede zaak dat de mening van docenten en medewerkers als belanghebbenden bij het nieuwe beleid ook een rol heeft in het voortraject Om dit goed te laten werken is het belangrijk dat de vertegenwoordigers van de CMR regelmatig de raad informeren over de voortgang en de inhoudelijke discussiepunten en de mening van de CMR hierover peilt.

Gert Lijkendijk beweert dat door deelname aan beleidsvoorbereidende werkgroepen de onafhankelijkheid van medezeggenschapsleden in het geding komt, omdat de leden te veel beïnvloed worden door de bestuurder en stafmedewerkers. Het risico bestaat dat de leden te veel de denkwijze van de bestuurder overnemen. Ik denk dat leden daar inderdaad alert op moeten zijn, maar dat je dat ook van ze kunt verwachten. Zij hebben als vertegenwoordiger van het personeel of de studenten een duidelijke eigen rol, maar ook de taak om ervoor te zorgen dat hun ideeën gehoord worden en dat er wat mee gedaan wordt. De kans op succes is het grootst als je een goed contact hebt met bestuurder en stafmedewerkers, je je wederzijds laat overtuigen door goede argumenten en, het belangrijkste voor een raadslid, je goed weet wat er leeft onder studenten en personeel.

René Versteegh
is voorzitter van de centrale medezeggenschapsraad (CMR)

One thought on “FORUM Medezeggenschap succesvol bij goed contact met bestuurder

  1. Medezeggenschap: neem gerust een kijkje in de keuken, maar ga niet zelf in de pannen roeren

    Enkele weken geleden verscheen in Trajectum een artikel van Gert Lijkendijk, waarin hij stelde dat medezeggenschapsraden voorzichtig moeten zijn als zij willen participeren in beleids- en beleidsvoorbereidende commissies. René Versteegh reageert hierop: hij bestrijdt de opvatting van Gert Lijkendijk en brengt naar voren dat de medezeggenschapsraden, door participatie in genoemde commissies, juist veel effectiever invloed kunnen uitoefenen op het beleid.

    Gert en René zijn het erover eens dat de medezeggenschap zowel een controlerende als een adviserende rol heeft. Gert wijst op het belang van de controlerende rol. René is van mening dat de nadruk meer moet liggen op meedenken en adviseren. Controleren vindt hij de taak van een ander gremium binnen de hogeschool: de raad van toezicht. De medezeggenschapsraad is vooral een adviesorgaan.

    Een vraag die niet aan de orde komt: vanuit welk perspectief wordt geadviseerd of gecontroleerd? De leden van de raad van toezicht hebben geen relatie met de hogeschool. Zij vertegenwoordigen de maatschappelijke omgeving en beoordelen de hogeschool in het licht van maatschappelijke ontwikkelingen en behoeftes. Medezeggenschapsleden daarentegen vertegenwoordigen interne stakeholders: zij worden gekozen door collega’s of medestudenten, die van hen verwachten dat zij bij hun controlerende taken en adviezen het medewerkers- of studentenbelang zwaar laten meewegen.

    Hoe kan de medezeggenschap dit het beste doen? Enkele leden laten participeren in de beleidsvoering, wat Rene Versteegh voorstelt, is in feite een onmogelijke opgave. Een individueel lid is niet in staat de inbreng te verzorgen van de raad als geheel. De raad bestaat uit verschillende geledingen en fracties, elk met hun eigen belangen en standpunten; een individueel lid kan niet altijd overzien hoe de raad als geheel zal oordelen over een beleidsvoorstel en zal – natuurlijk met de beste bedoelingen – vooral vertrouwen op eigen inzicht.

    Een ander probleem is dat het participerende lid betrokken wordt bij het perspectief van de beleidsmakers. Enerzijds is dit één van de leuke kanten van de medezeggenschap: dat je als medewerkers of student in de keuken van de bestuurder mag kijken. Aan de andere kant levert het een risico op: je verliest het perspectief van de achterban die je gekozen heeft. Je gaat kijken door de bril van de beleidsmakers.

    De afgelopen jaren bleek dit risico niet ondenkbeeldig. Sommige CMR-leden gebruikten, bij hun verslag van activiteiten in een beleidsvoorbereidende commissie, zinsneden als ‘wij vinden het belangrijk dat…’ of ‘wij hebben besloten…’. Met ‘wij’ bedoelden zij dan de commissie, waarmee zij zichzelf klaarblijkelijk identificeerden.

    Op het moment dat de raad een instemmingbeslissing moet nemen leidt de perspectiefwisseling tot onhelderheid. Welke criteria gaan de leden hanteren? Het ‘algemene hogeschoolbelang’? Het belang van medewerkers en/of studenten?
    De onhelderheid leidt tot beslissingen die niet uit te leggen zijn. Zo vragen mijn collega’s hoe de CMR in hemelsnaam heeft kunnen instemmen met het plan om het onderwijs te gaan groeperen in onderdelen van 5 ECTS, een operatie die enorm veel tijd, geld en energie gaat kosten en die – in hun visie – weinig voordeel oplevert. Ik leg dan uit dat de operatie onderdeel is van het flexibiliseringbeleid van de HU en zeg erbij dat mijn eigen fractie AOb-ABVAKABO met dit onderdeel niet heeft ingestemd. Maar echt prettig voel ik me er niet bij: ook al stemde mijn eigen fractie tegen, als CMR-lid voel ik me toch verantwoordelijk voor de gevolgen op de werkvloer.

    Kortom: ga, als medezeggenschapslid, liever niet participeren in de voorbereiding. Leden die dat doen verliezen hun geloofwaardigheid: zij worden onderdeel van de organisatie die ze moeten controleren en controleren dus zichzelf.

    Maartje Fokkema
    Voorzitter FMR FNT
    Lid CMR

Reageren? Graag!

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *