Huib de Zeeuw is docent aan de opleiding Journalistiek en schrijft columns voor Trajectum.
Midden in mijn introductiepraatje gaat de deur open. ‘Sorry, ik kon het lokaal niet vinden’. Met een blos op haar wangen kijkt de student mij verwachtingsvol aan. Achter haar staan nog twee klasgenoten.
Het nieuwe studiejaar is begonnen en als docent laat je gelijk een indruk achter. Volg je de regels: te laat komen, is wachten tot de pauze? Of ben je tijdens de eerste les coulant en laat je ze binnen? Ik kies voor de tweede optie met de opmerking dat ze in het vervolg moeten kloppen.
Ook ik verdwaal nog regelmatig op één van de HU-locaties en kan mij daardoor goed inleven in een eerstejaarsstudent.
In deze cursus Journalistiek in Perspectief ga jij je eigen referentiekader onderzoeken, houd ik mijn studenten voor. ‘Waarom is dit belangrijk voor de studie?’
‘Dan kan je open vragen stellen’, zegt de een.
‘Je kan je daardoor inleven in een ander’.
Dat ook, maar het begint bij het onderzoek naar je eigen achtergrond. Hoe je bent gevormd door je ouders, vrienden en de media die je volgt.
Om elkaar beter te leren kennen doen we een variatie op het spel: Over de streep. ‘Ga staan je als je in een stad bent opgegroeid?’ Van de dertig studenten gaat de ongeveer de helft staan.
‘Ga staan als je meer dan drie talen spreekt?’ Ongeveer een derde komt overeind. Naast Engels, Frans en Duits hoor ik ook Papiamento, Farsi, Albanees en Xhosa.
Bij de vraag of je in de afgelopen dertig dagen hebt gehuild, zie ik eerst een aantal vrouwelijke studenten opstaan. Daarna volgen een paar mannen. De lachende opmerkingen om hen heen lijken ze niet zoveel te doen. ‘Heel goed, je hoeft je hiervoor niet te schamen’, zeg ik tegen ze.
Het spel biedt een interessante blik op de achtergrond van de studenten en op de dynamiek in de klas. En dat wilde ik de telaatkomers niet ontzeggen.



Drie studenten komen te laat en Huib de Zeeuw laat ze binnen. Het lijkt een kleinigheid, maar gelukkig heeft hij er een column over geschreven, zodat zijn medemenselijkheid niet onopgemerkt hoeft te blijven. De docent Journalistiek had ze ook tot de pauze buiten kunnen laten staan. Dat doet hij niet. Je moet de humanistische traditie ergens beginnen.
Binnen wordt gewerkt aan het referentiekader. Studenten moeten onderzoeken hoe hun achtergrond hun blik op de wereld bepaalt. Daarvoor heeft de docent een kennismakingsspel. Opstaan als je in een stad bent opgegroeid. Opstaan als je meer dan drie talen spreekt. Opstaan als je de afgelopen dertig dagen hebt gehuild. We beginnen bij de gemeentelijke basisadministratie en zijn voor je het weet bij de traanbuis.
Dertig dagen vind ik mooi. Niet sinds de vakantie, niet sinds het overlijden van iemand die je dierbaar was. Dertig dagen. Ook het gevoelsleven heeft kennelijk een rapportageperiode.
Er staan vrouwelijke studenten op, daarna ook enkele mannen. Om hen heen worden lachende opmerkingen gemaakt. De docent zegt: ‘Heel goed, je hoeft je hiervoor niet te schamen.’ Wat een opluchting. De bevoegde instantie heeft de traan goedgekeurd. Je dacht misschien dat je verdriet van jezelf was, maar het blijkt pas helemaal in orde wanneer een meneer voor het bord er zijn fiat aan heeft gegeven.
Of studenten ook zonder toelichting konden bedanken voor deelname, vermeldt de column niet. Dat zou wel interessant zijn, want bij zo’n oefening wordt ook blijven zitten gemakkelijk als een antwoord gelezen. Niet gehuild. Of wel gehuild, maar geen zin om dat te vertellen. Of geen zin om overeind te komen omdat een docent een spelletje heeft bedacht. Drie verschillende werkelijkheden, dezelfde stoel. Voor een opleiding Journalistiek zit daar een aardige les in: je hebt iets waargenomen en weet nog steeds niet wat het betekent.
Maar probeer in zo’n eerste les maar eens te zeggen dat je de vraag ongepast vindt. Dan ben je niet langer degene die zijn achtergrond onderzoekt. Dan ben je degene die het kennismaken bemoeilijkt. De rest doet gezellig mee. De docent heeft het goed bedoeld. Jij begint over grenzen. Het aardige van een bevel dat als uitnodiging wordt verpakt, is dat degene die bezwaar maakt onmiddellijk de onvriendelijkste persoon in het lokaal is.
Daar had ik nu graag iets over gelezen. Over een student die vraagt waarom de docent dit wil weten. Wat hij met het antwoord gaat doen. Waarom de klas het moet horen. Niet omdat huilen beschamend is, maar omdat iets niet beschamend hoeft te zijn om een ander geen donder aan te gaan. Dat onderscheid lijkt me voor een aankomend journalist bruikbaarder dan de ontdekking dat ook mannen over werkende traanklieren beschikken.
Het interessantste referentiekader in deze column is dan ook dat van de docent. De overtuiging dat persoonlijke openheid vanzelf iets goeds is, dat een kennismakingsspel die openheid rechtvaardigt en dat zijn geruststelling de situatie vervolgens afdoende afhandelt. De studenten moeten onderzoeken door welke vanzelfsprekendheden zij worden gestuurd. Die van de meester zijn voorlopig het lesmateriaal.
Aan het slot verklaart De Zeeuw waarom de laatkomers toch naar binnen mochten: hij wilde hun deze ervaring niet ontzeggen. Wel moesten ze voortaan kloppen. Dat is een prachtig onderscheid. Voor toegang tot een lokaal vraag je toestemming. Voor toegang tot andermans gevoelsleven bedenk je een werkvorm.
Er hoeft maar één student te zeggen: ‘Dat gaat u geen reet aan, meneer.’ Die eerste les journalistiek zou ik de docent niet willen ontzeggen.