Een interview met HU-student Naomi die met familie in Israël was en plotseling moest schuilen voor raketten uit Iran. ‘Ineens was alles onzeker.’

Naomi Goldenberg (24), derdejaars Journalistiek, woont op kamers in Utrecht met acht huisgenoten. Haar vader en oudere zus wonen in Nederland, terwijl haar halfbroertje, halfzusje en stiefmoeder in Israël wonen. Ze probeert daarom 1 of 2 keer per jaar naar Israël te gaan.
Toen de aanval op Iran van de VS en Israël uitbrak, was Naomi bij haar familie in Tel Aviv. Doordat het luchtruim gesloten was kon ze niet terug naar Nederland.
Waarom was je in Israël?
‘Mijn vader, mijn zus en ik waren daar omdat mijn halfbroertje zijn Bar Mitswa zou hebben. Hij is net dertien geworden en dat is daar best een groot moment. We zouden het 28 februari in de avond gaan vieren, maar die ochtend liep het anders. De oorlog was uitgebroken en er was een lockdown.
Mijn vader en stiefmoeder hadden het er best lastig mee, want er zit echt heel veel voorbereiding en energie in. Mijn ouders zijn allebei muzikanten en zijn al erg lang bezig met repeteren en gepersonaliseerde liedjes schrijven voor de ceremonie. Mijn stiefmoeder is al een jaar bezig met de voorbereidingen hiervoor.
We moeten het zeker nog een keer inhalen, want het is niet zomaar een feestje, het is echt een soort rite de passage in het Joodse geloof. Het markeert een belangrijke overgang naar een nieuwe fase in het leven. Mijn ouders willen het nu eind maart doen, maar het is nog maar de vraag of de oorlog tegen die tijd voorbij is.’
Hoe werden jullie wakker op 28 februari?
‘Om acht uur s ’ochtends schrok ik wakker van een red alert op mijn telefoon. We waren bij mijn stiefmoeder in Tel Aviv. Ik sliep op één kamer samen met mijn broertje. Mijn oudere zus sliep samen met mijn andere zusje.
Ik wist niet meer dat ik die app op mijn telefoon had staan. In de melding staat dat er in de komende minuten raketten worden verwacht en dat je geacht wordt nabij een bunker te zijn. Tien minuten later ging het luchtalarm af.
We zorgden dat we ontbijt hadden en genoeg water, want je weet nooit hoelang je in de bunker moet zitten. Bij ons is de bunker een ingebouwde veilige kamer in het huis, maar omdat er tot 7 oktober 2023 lang geen oorlogsdreiging was geweest, gebruikte mijn stiefmoeder deze ruimte eigenlijk als kledingkast.
De kamer bestaat uit twee ingebouwde open kasten, met in het gangpad genoeg ruimte voor een eenpersoonsmatras en een poef in de hoek. Op dat matras en die poef zaten wij dus met zijn zessen elke keer als een luchtalarm ging. Ik had het geluk dat ik in een hoek van de kast kon zitten en dus iets meer gevoel van ruimte en privacy had.’
Hoe was die periode daarna voor jullie?
‘Heel onzeker. Je moest over alles opeens extra gaan nadenken. Kan ik nog boodschappen doen, welke route moet ik dan lopen om zo snel mogelijk bij een bunker te komen als het luchtalarm afgaat? Je leeft van alarm tot alarm: wanneer komt de volgende? Ik was constant bezig met: kan ik nu gaan koken, kan ik even naar de wc of kan ik nu gaan douchen. Want als je een red alert krijgt weet je dat er raketten aankomen.
Mijn halfbroertje en halfzusje waren ook erg geschrokken van alles, dus we probeerden hen een beetje af te leiden. We hebben veel gekletst en spelletjes gespeeld. Omdat ze nog best jong zijn (13 en 9), wilden ze ook graag even naar buiten. Maar we hadden geen tuin, alleen een groot grasveld voor het gebouw. Daar konden we even een frisse neus halen. Dit was de eerste dagen de enige plek waar we het gevoel hadden veilig te zijn. Er waren veel luchtalarmen waren en vanaf dat grasveld kon je na een red alert wel op tijd in de bunker zitten.’
Hoelang waren jullie eigenlijk van plan om in Israël te blijven?
‘Ik was van plan om 2 maart weer terug te vliegen, mijn zus en vader iets later. Uiteindelijk konden we op 10 maart terug.
In het begin kreeg ik geen annulering voor mijn vlucht van 2 maart. Tegelijkertijd stond bij ons thuis het nieuws eigenlijk 24/7 aan en daar werd al gesproken over een mogelijk gesloten luchtruim. Dat maakte het verwarrend, want je weet niet meteen welk nieuws klopt en wat nog up-to-date is.
Toen mijn vlucht uiteindelijk echt werd geannuleerd, was ik doodsbang. Het gaf me een gevoel van onmacht en onzekerheid. Het zorgde ook voor spanning thuis. Naast de dreiging van raketten hadden we er ineens nog een grote zorg bij.’
Hoe kwamen jullie alsnog terug naar Nederland?
‘Toen de aanval begon, heb ik direct contact opgenomen met de Nederlandse overheid met de vraag of repatriëringsvluchten mogelijk waren. Ik was geschrokken en wou het liefste zo snel mogelijk weg. Dat was wel een dubbel gevoel, want ik geef mijn familie dan het gevoel dat ik niet bij ze wil zijn.
Maar na twintig minuten bellen bleek dat ze niks voor ons konden doen en zijn we gaan kijken naar ‘normale’ vluchten. We vonden er een voor 8 maart maar die werd dan weer gecanceld. Nog eens twee dagen later lukte het, met een tussenstop in Budapest.’
Ben je blij dat je weer terug bent in Nederland?
‘Ja en nee. Ik ben heel blij dat ik weer veilig in Nederland ben, maar het is ook pijnlijk om mijn stiefmoeder en mijn halfbroertje en halfzusje achter te laten. Het leven is daar momenteel nog zeer beperkt. De kinderen hebben af en toe zoom-klassen van school en alleen de noodzakelijke winkels zijn open.
Mijn beste vriendin is ook nog daar, zij heeft besloten om bij haar vriend te blijven en dat vind ik nog altijd moeilijk. Maar het is ook fijn om de opluchting op de gezichten van mijn huisgenoten te zien.
Voor mij is het nu vooral wennen. Het geluid van een red alert gaat echt door merg en been en mijn lichaam reageert daar nog steeds op. Als ik een wekker of alarm hoor, krimp ik meteen ineen en denk ik automatisch: waar is de dichtstbijzijnde shelter? Op het vliegveld in Budapest, bij mijn overstap, kreeg ik nog een red alert. Mijn eerste reactie was om meteen de ruimte te scannen voor een veilige plek, terwijl ik gewoon op een vliegveld was in een land zonder oorlog.’
Wat voor reacties krijg je op jouw verhaal?
‘Eigenlijk vooral begripvolle reacties. In het begin was het voor mijn docenten een beetje onduidelijk hoe ze met de situatie om moesten gaan, maar achteraf snap ik dat ook wel. Vanuit mijn directe omgeving voel ik alleen maar steun, voor mij persoonlijk en voor mijn gezin.
Bij deze situatie merk ik ook dat mensen mij er minder persoonlijk op aankijken. Bij de oorlog in Gaza voelde dat soms anders. Daardoor was ik voorzichtiger geworden met me uitspreken over mijn afkomst. Ik postte bijvoorbeeld niks op sociale media als ik daarheen reisde.
Deze hele situatie nu heeft iets in mij veranderd. Dat komt door de manier waarop wij er met z’n allen doorheen zijn gegaan, hoe veerkrachtig iedereen was. Ik ben nu minder bang voor negatieve reacties en voel minder de behoefte om me te verbergen.’


