Yara (22) studeert Journalistiek aan de HU. Ze schrijft columns voor Trajectum.
Ik heb de eerste tien weken van mijn afstuderen achter de rug. De stress, de opwinding en het enthousiasme voelen bekend. Ineens snap ik waarom.
Afstuderen is als een kerstdiner koken.
Aan het begin sta je in de supermarkt met een overvolle kar en denk je: komt goed, ik heb een schema. Het eerste uur thuis gaat vlekkeloos. Je snijdt, weegt, bereidt voor. Je loopt een beetje achter, maar niets om je zorgen over te maken.
Dan krijg je een appje van je tante, of in dit geval je coach: ‘Ik heb zin in vanavond! Tot over vier uur!’ En ineens slaat de lichte spanning om in paniek. Want er moet nog véél gebeuren. En op dit tempo ga je het niet redden.
Na een tijdje flink doorwerken – en alles wat ook maar lijkt op een sociaal leven compleet te negeren – kom je weer op schema. Tijd voor een wijntje. Je hebt het verdient.
Tot je om je heen kijkt. De groenten branden aan. De pasta kookt over. De oven was helemaal niet aan het voorverwarmen.
Je krijgt een kleine paniekaanval.
Je vader, nu een klasgenoot of een docent, schiet je te hulp.
Iemand zegt dat het goedkomt en heel even geloof je dat.
Je pakt nog een glas wijn.
En daar zit ik nu ongeveer. Ik kan dus helaas nog niet vertellen of het diner ook zal smaken. Of alles straks perfect gegaard op tafel staat, of dat iemand beleefd zegt dat het ‘interessant’ is terwijl ze hun bord half leeg laten.
Misschien gaat afstuderen er helemaal niet om dat alles lukt zoals je het van tevoren had bedacht. Misschien gaat het erom dat je overeind blijft, terwijl alles tegelijk dreigt aan te branden. Dat je doorgaat, ook als je het overzicht kwijt bent.
En dat je, ergens tussen de chaos en de wijn door, ontdekt dat je dit blijkbaar toch gewoon aan het doen bent.


