Lector Saskia Wijsbroek wil de jeugd meer betrekken in het onderzoek

In onze interviewserie met lectoren: Saskia Wijsbroek, lector Jeugd - over protocollen, eigen ervaring en de rol van jeugd en ouders.

Saskia Wijsbroek, foto: Kees Rutten

In onze interviewserie met lectoren: Saskia Wijsbroek, lector Jeugd. Ze wil een structurele plaats voor de stem van de jeugdigen en ouders, in onderzoek en opleidingen. ‘Het is belangrijk dat meer jongeren en gezinnen die zelf hulp hebben gehad, aan professionals en studenten kunnen uitleggen hoe ze dit ervaren hebben.’

Wie het kleine niet eert… Vraag Saskia Wijsbroek naar een onderzoek waar ze trots op is en ze noemt een evaluatieonderzoek, uitgevoerd in Wijk bij Duurstede, een stadje met bijna 24.000 inwoners. De gemeente wilde niet dat kinderen voor speciaal onderwijs uit Wijk zouden gaan. Onderwijs en jeugdhulp mochten ook geen gescheiden werelden blijven. Het koos daarom voor een intensieve samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp, met jeugd- en gezinsprofessionals ín de school.

Bij deze samenwerking bevroegen onderzoekers van het lectoraat Jeugd zowel kinderen als ouders, leerkrachten, jeugdprofessionals en managers. Het ging over de vraag wat zij van waarde vinden, waarover ze zorgen hebben en wat volgens hen beter kan.

 Het gemeentebestuur kreeg daardoor een verslag dat zij als een narratieve verantwoording, naast cijfers aan de gemeenteraad kon voorleggen. ‘Vergeleken bij onze deelname in het landelijk consortium Angst en Depressie bij jongeren is dit een klein onderzoek. En een buitenstaander zal zeggen: “Het gaat alleen over Wijk bij Duurstede”. Maar mede dankzij ons onderzoek kon de gemeenteraad een goed besluit nemen over de nabije toekomst van hun jeugdigen en ouders. Dan word ik er heel blij van dat wij daaraan bij hebben kunnen dragen.’

Sinds 2015 zijn niet provincies maar gemeenten verantwoordelijk voor jeugdhulp. Van de provincie Utrecht kreeg het lectoraat Jeugd, gestart in september 2016, een subsidie om gemeenten te helpen de jeugdhulp te optimaliseren. Het lectoraat verzamelde daarvoor goede voorbeelden en vraagstukken.

Is de formule in Wijk bij Duurstede representatief voor hoe Nederlandse gemeenten de jeugdhulp aanpakken?
‘Nee, het is overal verschillend. Grote steden als Utrecht werken bijvoorbeeld wijkgericht met buurtteams voor jeugdhulp en per 1 januari ook specialistische jeugdhulp in de buurt. En er zit een verschil in de mate van samenwerking tussen professionals van uiteenlopende organisaties, vrijwilligers en mantelzorgers. De decentralisatie is natuurlijk ook bepalend voor de onderzoeksmogelijkheden: het betreft vaak onderzoek op kleinere schaal, waarin nu ook een beweging is naar meer regionale en bovenregionale initiatieven.’

Jullie werken ook samen met de gemeente Utrecht, bijvoorbeeld in de Academische Werkplaats Transformatie Jeugd Utrecht. Wat zijn in deze stad de thema’s qua jeugdhulp?
‘We willen de leefwerelden van ouders en jeugd meer aan elkaar verbinden. De professionals bij wie een kind of jongere terecht kan voor opvoedings- of hulpvraagstukken, zijn nu nog vaak enorm verspreid. Er zijn professionals op school, in het buurthuis en bij de sportclub maar ook in de jeugdhulp. Daar komt ook nog bij dat de leefwereld van kinderen zich steeds verder uitbreidt. Dan kun je als gemeente wijkgericht werken, maar als pubers naar de middelbare school gaan, fietsen ze de wijk uit. En gemeenten hebben hun beleid vooral ingericht vanuit geldstromen.

Het is belangrijk om te kijken: hoe ziet de wereld van “gewone” jeugdigen en gezinnen eruit? Waar bevinden zij zich en waar lopen zij tegen aan? Als dat het vertrekpunt is, is verdere ontschotting een logische stap.’

Wijsbroek en haar collega’s kijken ook hoe ze de verschillende professionals bij elkaar kunnen brengen. Daar kan volgens de lector nog wat meer in gebeuren, want het werkveld is breed. Van familie, buren en onderwijsinstellingen tot maatschappelijk werk en de GGD. En van jeugdhulp en jeugdbescherming tot een justitiële jeugdinrichting en reclassering. ‘En dat zijn voor jeugdigen en gezinnen echt niet allemaal gescheiden werelden’, zegt Wijsbroek. ‘Vanwege die breedte, richt het onderzoek in het lectoraat zich op jeugdigen in hun omgeving en juist ook op opvoeding, ontwikkeling en samenwerking in de omgeving van jeugdigen en gezinnen.’

Heeft u daar een recent voorbeeld van?
‘We hebben wijkacademies Opvoeden in Utrecht onder de loep genomen. Dat zijn plekken waar professionals en ouders samen kijken welke thema’s rondom opvoeden en opgroeien er spelen in de wijk. Ze bespreken wat voor activiteiten ze kunnen ontplooien om andere ouders te betrekken. Ook op school. De thema’s variëren van opvoedvragen over pubermeisjes tot vragen als “Hoe pak je dat nou aan, als je achtjarige zijn of haar oppositionele stem laat klinken?”

Een ander voorbeeld is een onderzoek naar samenwerking tussen informele en formele hulp in Amersfoort, Rhenen en Utrecht. Zeven studenten Ecologische Pedagogiek hebben daar vrijwilligerswerk in gezinnen gedaan namens informele organisaties zoals Handje Helpen in Utrecht. Binnen dit project hebben ze hun afstudeeronderzoek uitgevoerd. Van ouders wilden we bijvoorbeeld weten: “Hoe vinden jullie dat nou, dat die vrijwilligers en professionals bij jullie over de vloer komen? Is dit wat jullie ervan verwachtten? En hoe vinden jullie dat de vrijwilligers en de formele organisatie samenwerken? Hoe vinden jullie je eigen rol?” ‘

Voor haar lectorschap combineerde Wijsbroek een baan als universitair docent met werk als GZ-psycholoog bij het ambulatorium van de Faculteit Sociale Wetenschappen aan de UU. Ze diagnosticeerde en behandelde angst- en stemmingsproblemen bij studenten, die doorgestuurd waren door een studentpsycholoog.

Heeft u er als lector baat bij dat u in de praktijk heeft gewerkt?
‘Ik merk nu dat ik niet anders kan dan ook te kijken vanuit mijn ervaring als professional. Laatst was ik bij een bijeenkomst van een buurtteamorganisatie waarvan jeugd- en gezinsprofessionals zelf hun kennis en werkwijze beschreven hadden. Mij was gevraagd om er als lector met frisse blik naar te kijken. Maar ik zei direct: “Ik heb dit ook gelezen als professional. Hoe je met jeugdigen en gezinnen omgaat, hoe je samen beslissingen neemt en hoe je het thema veiligheid bespreekbaar maakt.” ‘

Werkt uw ervaring ook in het contact met professionals?
‘Ja. Neem de richtlijnen die er zijn in het werk. Veel jeugd- en gezinsprofessionals zijn daar ambivalent over. De gedachte bestaat dat zij de professionele ruimte beperken. Dat herken ik. Maar ik weet ook dat de richtlijnen een onderdeel vormen van de kennisbronnen: wetenschappelijke kennis, je professionele expertise en de wensen, voorkeuren en kennis van de jeugdige, de ouders en het gezin met wie je werkt. Die bronnen kun je allemaal gebruiken om samen te beslissen over hulp.

Zo zag ik eens een student die niet meer de collegezaal in durfde. Er waren verplichte colleges, dus hij had een probleem. Eerst vertelde ik hem dat we uit onderzoek weten dat exposure, blootstelling, effectief is gebleken. Vervolgens vroeg ik of hij het prettig zou vinden om samen met een voor hem vertrouwd iemand de collegezaal in te gaan, dus niet alleen met mij, omdat eerder een andere student met soortgelijke problematiek aangaf dat prettig te vinden.

Dat laatste heeft te maken met je eigen ruimte en je ervaringen als professional. Het stond niet in een protocol. In deze fase, waarin ons werkveld een transformatie ondergaat, blijkt mijn praktijkervaring van pas te komen. Ik had van tevoren niet kunnen bedenken hoeveel.’

Uw lectoraat loopt tot 1 september 2020 en jullie zijn bezig met een continueringsaanvraag. Waar wilt u in elk geval op inzetten?
‘Op een structurele plaats voor de stem van de jeugdigen en ouders in onderzoek en opleidingen. Zo is het belangrijk dat meer jongeren en gezinnen die zelf hulp hebben (gehad) aan professionals en studenten kunnen uitleggen hoe ze dit ervaren hebben.

Ook zien we graag meer ontwerpgericht onderzoek. Daarbij bedenken we vanuit het perspectief van ouders, jeugdigen, professionals, docenten, studenten en beleidsmakers hoe het veld eruit zou  moeten zien. Denk aan werkwijzen, toegang, samenwerking, onderzoek. Ouders en jeugdigen zijn dan dus niet alleen participanten in onderzoek. Ze bepalen mede het onderzoek en treden soms op als mede-onderzoekers. Daarnaast moet het ‘gewoon opvoeden en opgroeien’ een steviger ingrediënt worden in de hele sector. Daar dragen wij graag aan bij.’

Volg ons op Instagram
Reageer!
Deel via...

Geef een reactie Let bij het reageren op onze spelregels.

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *