Interview

‘We selecteren kinderen in Nederland gewoon te vroeg’

In juni sloot Hogeschool Utrecht zich aan bij Laterselecteren.nu, een groep van 34 partijen uit het onderwijs die pleiten voor een ander onderwijsstelsel: later kiezen voor vmbo, havo of vwo zorgt voor meer kansengelijkheid. HU-onderzoekers vertellen over deze ‘evidente keuze’.

‘Ik voelde wel wat ongemak’, vertelt lector Mieke Koeslag-Kreunen, lector Werken in Onderwijs. 

‘Daarom wilde ik eerst vooral vanaf de zijlijn meekijken: laten we vooral als onderzoekers kijken naar wat we hierover weten. Tegelijkertijd merk ik dat de huidige samenleving een beroep op mij doet om me wat vaker uit te spreken. Dat is niet helemaal des onderzoekers, die kiezen voor eerder voor wat voorzichtig en heel genuanceerd. Maar als er zoveel wetenschappelijke kennis beschikbaar is, mag je die ook laten horen.’

In eerste instantie zag Mieke het Laterselecteren.nu-platform vooral als een initiatief dat goed paste bij het lectoraat. Maar ze bracht het ook in bij de instituutsdirecteuren van de educatieve opleidingen en bij het expertisegebied Samen Leren. ‘Er zijn wel eens vragen over wat we moeten met die expertisegebieden rondom de ‘samen-thema’s’. Maar ik zag hier juist een platform dat erop aansluit en waarbij we met elkaar in gesprek kunnen over kansengelijkheid. En ik ben blij dat ook de hogeschool zich heeft aangesloten. Het platform sluit mooi aan bij thema’s waar wij al langer aan werken, zoals kansengelijkheid. Dan is het logisch om daar als hogeschool onderdeel van te zijn.’

Is dit geen politieke keuze?
‘Dat wordt al snel gedacht. Maar voor mij gaat het juist om het tegenovergestelde. Op sociale media zie je vaak stellige meningen zonder onderbouwing. Hier kunnen we een genuanceerd geluid laten horen, gebaseerd op onderzoek. Bovendien is dit geen nieuwe discussie. We weten al heel lang dat Nederland internationaal gezien uitzonderlijk vroeg selecteert.’

Via een videoverbinding vanuit Estland sluit docent-onderzoeker Brigitte de Kok aan. Ze is daar vanwege een onderwijscongres en doet onderzoek naar heterogene brugklassen, onder meer bij Academie Tien in Utrecht.

‘Voor veel internationale onderzoekers is het eigenlijk vreemd hoe vroeg Nederland leerlingen op verschillende onderwijsniveaus indeelt,’ zegt ze. ‘Dat is niet iets waar alleen een kleine groep wetenschappers zo over denkt. Het is een breed gedragen inzicht.’

Waarom is vroeg selecteren eigenlijk zo’n probleem?
Brigitte: ‘Internationaal is er al veel vergelijkend onderzoek gedaan. Dat laat steeds hetzelfde zien: vroeg selecteren vergroot kansenongelijkheid. Er loopt nog een groot onderzoek aan de Radboud Universiteit over de Nederlandse situatie. Dat is voor ons super interessant. Tegelijkertijd weten we al veel. Zo is duidelijk dat het gemiddelde niveau van leerlingen nauwelijks verandert als je later selecteert. Maar als je naar verschillende subgroepen kijkt, zie je wel degelijk verschillen. Bijvoorbeeld laagpresterende leerlingen op bepalende vakken die profiteren van de late selectie, terwijl hoogpresterende leerlingen gemiddeld genomen niets verliezen. Al is het onderzoek hier niet eenduidig over.’

Mieke vult aan: ‘Die vroege selectie is oneerlijk en vormt een maatschappelijk probleem. Met aandacht, onderzoek en dialoog proberen we veranderingen in gang te zetten. Die kunnen leiden tot verkleining van de invloed van sociale achtergrond op schoolloopbanen. Het brengt meer tijd voor talentontwikkeling, eerlijkere onderwijskansen en betere doorstroommogelijkheden, voor ieder kind. We hebben immers iedereen nodig in de samenleving.’

De kinderen van Mieke hebben inmiddels al een middelbare school gekozen. ‘Zij kozen voor een school waar niet alle leerroutes vertegenwoordigd zijn. Wij hebben ze die ruimte gegeven. Gelukkig ontmoeten ze nog anderen bij de sportvereniging en muziekschool en zijn we actief in de Oranjevereniging. Maar ik zie dat op veel plaatsen steeds minder gebeuren. Dan vraag ik me af: waar ontmoeten kinderen met verschillende achtergronden elkaar straks nog? Juist school was altijd zo’n plek waar verschillende werelden samenkwamen.’

Volgens haar raakt het onderwerp daarom niet alleen het onderwijs, maar ook de samenleving. ‘Als we kinderen zo vroeg uit elkaar halen, heeft dat ook gevolgen voor de sociale cohesie.’

Brigitte ziet in haar eigen onderzoek hoe verschillende leerlingen van elkaar kunnen leren.

‘Een leerling zei eens tegen me: als ik iets niet snap, heb ik weinig aan iemand die precies dezelfde leerroute volgt. Die denkt namelijk op dezelfde manier als ik. Maar iemand uit een andere leerroute legt het vaak heel anders uit. Daar leer ik veel meer van. Dat vond ik een mooi inzicht. Leerlingen waarderen die verschillen vaak veel meer dan volwassenen denken.’

Is later selecteren dan simpelweg een kwestie van verschillende leerlingen bij elkaar zetten?
‘Nee,’ zegt Mieke beslist. ‘Zo werkt het natuurlijk niet. Je moet leraren daarin begeleiden. Scholen moeten tijd krijgen om samen te leren en bestuurders moeten daarvoor ruimte maken. Onderzoek laat zien dat het kan, maar het vraagt wel om een andere manier van werken.’

Op scholen waar Brigitte onderzoek doet, is die omslag er wel, juist omdat aan veel van de voorwaarden wordt voldaan. ‘Docenten werken wekelijks samen, observeren elkaars lessen en bespreken regelmatig hoe ze leerlingen verder kunnen helpen. Ze vertrekken vanuit de vraag: waar willen we met deze lessenreeks naartoe? Vervolgens bouwen ze onderweg momenten in om te kijken wat leerlingen nodig hebben.’

Dat vraagt veel van docenten.
‘Zeker. Je moet het curriculum heel goed kennen. Pas als je precies weet wat leerlingen uiteindelijk moeten leren, kun je flexibel omgaan met verschillende leerroutes in één klas. Beginnende docenten houden zich vaak nog vast aan een methode. Naarmate je meer ervaring krijgt, durf je daarvan af te wijken.’

Welke rol kan de HU daarin spelen?
‘Sommige studenten lopen stage op scholen waar wij onderzoek doen,’ zegt Mieke.  ‘Dan zie je meteen dat onderzoek en onderwijs elkaar versterken.’

Brigitte vult aan: ‘Veel collega’s combineren onderzoek met lesgeven op de lerarenopleiding. Daardoor kunnen nieuwe inzichten direct terugkomen in het onderwijs. Tegelijkertijd kunnen we die verbinding nog veel sterker maken.’

Volgens Mieke kan de HU daarin de komende jaren nog bewuster optrekken. ‘We hebben een strategische kennisagenda opgesteld. Het kan minder ad hoc, met losse projecten. We kunnen meer structureel samenwerken, met de opleidingen én met scholen.’

Er wordt al jaren over kansengelijkheid gesproken. Is het nu niet vooral tijd om te doen?
‘Dat denk ik wel,’ zegt Mieke. ‘Er zijn ontzettend veel goede voorbeelden. De kunst is om daarvan te leren en succesvolle aanpakken op grotere schaal toe te passen. Daar ligt ook een belangrijke rol voor onderzoek. De schoolleider bepaalt ook of zo’n verandering kans van slagen heeft. Die moet een duidelijke visie hebben én tijd vrijmaken voor professionalisering. Dat ziet er op iedere school anders uit, maar overal kun je stappen zetten.

Soms denk ik ook weleens: laten we met z’n allen gewoon weer een dag per week voor de klas gaan staan. Er zijn heel veel mensen die zich met onderwijs bezighouden. Misschien mogen dat er best wat minder zijn.’

Vorige week waren de Onderwijs Research Dagen op de Hogeschool Utrecht, onder leiding van Mieke. De Utrechtse wethouder Dennis de Vries was er ook en zei: ‘Onderwijs dreigt de grote ongelijkmaker van onze samenleving te worden.’

‘Dat zet het wel op scherp,’ zegt Mieke. ‘Als de weg naar een diploma niet voor iedereen gelijk is, hebben wij als hogeschool ook de verantwoordelijkheid om daar iets aan te doen.’

Reageren? Graag!

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *