Vandaag viert de HU Keti Koti en Xio-Miliane is daarbij. Als kind werd ze gepest en vandaag zet ze zich graag in voor mensen die dat nodig hebben.
Voor Xio-Miliane Raposo (26), eerstejaarsstudent Creative Business, is Keti Koti geen vrijblijvend momentje op de kalender. ‘Vrijheid, vooral voor onze voorouders, ligt heel dicht bij mijn hart.’
Xio-Miliane groeide op tussen Aruba en Curaçao en loopt al een aantal jaar rond op de HU. Binnen het Netwerk Diversiteit en Inclusie maakt ze deel uit van CariMix, dat zich inzet voor uitwisseling tussen de Caribische en Nederlandse cultuur op de hogeschool. Waar haar gevoel voor vrijheid vandaan komt, wordt duidelijk zodra ze vertelt over haar eigen jeugd.
Wat betekent vrijheid voor jou persoonlijk?
Voor mij begint vrijheid heel dichtbij: bij jezelf mogen zijn, en voor jezelf op kunnen komen. Ik was nooit iemand die agressief was, maar op een gegeven moment moest ik leren om mijn grenzen aan te geven. Dat begon eigenlijk heel persoonlijk, op het schoolplein.
Wat maakt dat dit je zo raakt? Welke moeilijkheden heb je overwonnen?
Als kind ben ik van mijn achtste tot mijn vijftiende gepest. Ik was een van de dikste van de klas en had X-benen: ‘Eiffeltoren’, noemden ze me, en erger. Ik weet nog goed hoe ik dacht: ik ben net als iedereen gewoon een onschuldig kind, waarom doen jullie mij dit aan?
Op een dag vertelde ik een jongen op school dat ik hem wel zag zitten. Ik dacht dat hij dat voor zichzelf zou houden, maar hij vertelde het aan de hele school. Ik schaamde me kapot. Vanaf dat moment begonnen ze me te slaan en aan mijn haren te trekken op het schoolplein, een van de heftigste periodes uit mijn leven. Ik begon mezelf te beschadigen, door in mijn armen te snijden. Tot mijn oma het doorhad. Zij probeerde me altijd te beschermen. We hebben er veel over gepraat aan de keukentafel, maar dit zorgde er alleen maar voor dat ik het beter voor haar ging verbergen.
Tekst loopt door onder de foto

Hoe ben je hier goed uitgekomen?
Er was een keerpunt dat ik me nog goed herinner. Het was carnavalsperiode en op school moesten we stemmen voor een prins en prinses carnaval. ‘Ik wil dat doen,’ zei ik enthousiast. ‘Je bent niet mooi genoeg om prinses carnaval te zijn,’ zei mijn klasgenootje. Die reactie maakte iets in mij los. Alsof ik in één klap niks meer waard was.
Andere leerlingen keken verbaasd toe: het stille, gepeste meisje beet plotseling van zich af
In de pauze liep ik naar haar toe, met tranen in mijn ogen, om verhaal te halen. Ze bleef stoer doen, en ik gaf haar een flinke klap in het gezicht. Vervolgens lagen we vechtend op de vloer en trokken we aan elkaars haren. Andere leerlingen keken verbaasd toe: het stille, gepeste meisje beet plotseling van zich af.
Ik voelde me zo opgelucht. Het voelde alsof ik de macht terugpakte, alsof ik eindelijk voor mezelf op kon komen. Daarna deed ik het vaker, ik was geen lieverdje meer. In de periode die volgde ben ik bewust gaan testen, want verlegen zijn werkte niet, daar was de wereld te hard voor. Ik had nog niet het grootste zelfvertrouwen, maar ik reageerde vaak met: ‘Is that the best you can do?’ Op een gegeven moment was het getreiter klaar.
Je hebt je er uitgevochten. Hoe vertaal je dat door naar het nu?
Nu zet ik me in voor heel veel dingen: voor queerpersonen, als feminist voor vrouwen, maar ook voor erkenning van mensen uit het Caribisch gebied. Die houding is nodig: ook op de HU kom ik nog vormen van micro-agressie tegen.
Toen Curaçao net had gespeeld op het WK, kreeg ik van een medestudent te horen: ‘Ik wist niet dat zij hun eigen volkslied hadden, ik dacht dat daar het Wilhelmus werd afgespeeld.’ Dat doet pijn. Alsof ik niet helemaal erkend word als persoon. Diegene heeft duidelijk geen onderzoek gedaan naar het verleden, naar hoe we ons hebben moeten vrijvechten.
Eens kreeg ik de opmerking: ‘Ik dacht dat Curaçao een van de eilanden boven Nederland was
En dan de meest gehoorde: ‘Oh, wat spreek je goed Nederlands’, terwijl we die taal ons hele leven al door onze strot geduwd kregen. Zelfs dan was onze taalbeheersing blijkbaar niet genoeg. Of de ergste: ‘ik dacht dat Curaçao een van de eilanden boven Nederland was.’ Dit zijn allemaal opmerkingen die erkenning van ons land uit de weg gaan.
Waar zouden de HU en andere studenten aan kunnen werken?
De aandacht is nu gewoon te weinig. Vandaag stond er voor Keti Koti maar één uurtje op het programma, van 10 tot 11 uur. Eerder dit jaar hadden we ook al een dialoogsessie van twee uur, samen met Millouska Meulens en CariMix – maar dat was veel te krap voor zo’n groot thema.
We richten ons bij dit soort momenten ook vaak op Suriname. Dat was misschien het eerste land dat de slavernij afschafte, maar de eilanden hebben dit net zo goed meegemaakt. Die geschiedenis is daardoor onderbelicht.
Ik zou willen dat we het minder over het verleden hebben en meer over het heden. Denk aan de moeilijke situatie voor Caribische studenten om hier een woning te vinden, ook al hebben we gewoon een Nederlands paspoort. En toch worden we vaak behandeld als internationale studenten, terwijl we dat op papier niet zijn. Ik kan me namelijk ook aanmelden via Studielink.
Keti Koti (Surinaams voor ‘gebroken ketenen’) is de jaarlijkse herdenking en viering van de afschaffing van de slavernij op 1 juli 1863. De dag staat zowel stil bij het slavernijverleden als bij de vrijheid en veerkracht van de tot slaaf gemaakte voorouders. Bij de HU vond vandaag een boeklezing en dialoog plaats in de bibliotheek over de bevrijdingsdag.
Hoe zou Keti Koti volgens jou gevierd moeten worden?
In mijn ogen kijken we met Keti Koti nog te veel naar het verleden. Onze voorouders hebben gevochten voor onze vrijheid, en daar plukken wij nu de vruchten van. Maar vandaag de dag gebeurt er iets ergers: modern kolonialisme. Nederlanders en mensen uit andere landen kopen huizen op de eilanden en gaan daar werken, vaak met veel meer geld dan de huidige bewoners hebben. Zij krijgen daardoor minder kansen. Ik zou zeggen: laten we die dubbele punt zetten, en ook kijken naar het heden.
Delen mensen op Curaçao jouw vuur?
Het bijzondere is dat zij vooral heel dankbaar zijn, ze zien nooit eerst het negatieve. Op de basisschool moest ik lezen over de slavernijperiode. Als ik dan thuiskwam, stelde ik mijn oma er allerlei vragen over. Zij legde me uit hoe op Aruba de oorspronkelijke bewoners zelf tot slaaf werden gemaakt, en hoe Curaçao een doorvoerplek was voor tot slaaf gemaakte Afrikanen. Mijn oma kijkt altijd positief en dankbaar naar de rechten en vrijheden die we nu hebben. Dat zit ook in de cultuur: we klagen wel eens, maar positiviteit overheerst. En daar ben ik trots op.
Ze lacht en steekt haar handen uit: ‘Zó trots dat ik de vlag van Curaçao op mijn nagels heb laten zetten.’



