Net als universiteiten en hogescholen moeten ook mbo-instellingen onderzoeksgeld krijgen, vindt adviesraad AWTI. De huidige ‘practoraten’ verrichten goed werk en verdienen meer erkenning. Dat herkent ook HU-lector Maaike Koopman.
Vijftien jaar geleden ging de eerste ‘practor’ aan de slag, zoals ‘mbo-hoogleraren’ steevast worden genoemd. Inmiddels zijn het er meer dan honderd. Zij doen praktijkonderzoek voor bedrijven en instellingen uit de nabije omgeving, ook voor bijvoorbeeld Hogeschool Utrecht.
De AWTI is de onafhankelijke adviesraad van regering en parlement voor wetenschap, technologie en innovatie. Minister Letschert van OCW vroeg de raad advies over de practoraten omdat de regeling voor de financiering ervan in 2028 afloopt. Daarnaast werkt het ministerie aan een visie op de toekomst van het mbo. Het advies onder de naam ‘De tijd van pionieren is voorbij’ verscheen afgelopen maandag.
Erkenning
De practoraten krijgen nog geen vaste financiering. Dat moet veranderen schrijft de AWTI in het rapport.
Praktijkonderzoek zou een officiële taak moeten worden van mbo-instellingen. Maar dan ben je er nog niet. Mensen moeten ook niet meer neerkijken op mbo-onderzoek. De adviesraad zegt het niet letterlijk, maar spreekt over een gebrek aan ‘erkenning’ en hinderende ‘culturele overtuigingen’.
Dat is zonde, zegt de AWTI, want praktijkonderzoek kan heel nuttig zijn. Ze bedenken nieuwe oplossingen en zorgen ervoor dat die snel in de praktijk landen; zowel in het bedrijfsleven als in het onderwijs zelf.
Lectoren en practor ineen
Practoren werken geregeld samen met lectoren uit het hbo, die ook naar de praktijk kijken, maar dan toepasbaar op meer dan één situatie. Of, zoals de AWTI het zegt: lectoren produceren meer ‘generieke kennis’.
Soms is de overlap tussen die twee soorten onderzoek groot. Regelmatig zijn de lector en de practor zelfs één en dezelfde persoon, ziet de AWTI. Dan combineert iemand een lectoraat aan een hogeschool met een practoraat aan een regionaal opleidingscentrum.
De AWTI hoopt dat practoren veel gaan samenwerken met lectoren. Deels omdat ze allebei naar de regionale beroepspraktijk kijken en elkaar kunnen versterken, maar ook omdat de vaak nog kleine practoraten kunnen meeliften op de grotere lectoraten.
Het hbo-onderzoek gaat al wat langer mee. In 2001 namen hogescholen hun eerste lectoren aan; nu zijn het er bijna achthonderd.
Aan de HU

‘Practoraten doen inderdaad belangrijk werk’ vindt Maaike Koopman. Ze is associate lector bij Werken in Onderwijs en Beroepsonderwijs. In deze twee lectoraten werkt ze samen met practoren uit het mbo. Haar onderzoek gaat over mbo-onderwijs. ‘Het spreekt voor zich dat practoren daarover veel praktijkervaring meebrengen.’
Koopman: ‘Ik denk dat de onderzoekende cultuur in het mbo over het algemeen minder ver is dan in het hbo. Daarom is het belangrijk dat practoraten hun werk kunnen blijven doen. Mbo en hbo kunnen elkaar versterken.’
Of Koopman vindt dat het hbo dan weer achterloopt bij het onderzoek aan de universiteit? ‘Nee. Ik kom daarvandaan en denk zelfs dat het hbo op sommige gebieden voorloopt. Bijvoorbeeld in mijn participatief en praktijkgericht onderzoek. Daar hebben we in het hbo veel ervaring mee. Meer dan het wo.’


