De Amerikanen Robert E. Hall en Michael Woodford krijgen de Nobelprijs voor de economische wetenschappen voor hun onderzoek naar economische stabiliteit.
Hoe kan de overheid een recessie voorkomen en werkloosheid en inflatie bestrijden? Hall en Woodford onderzochten hoe keuzes van huishoudens en bedrijven de economie beïnvloeden.
Hun werk bouwt voort op de ideeën van econoom John Maynard Keynes, die stelde dat de overheid tijdens een recessie juist meer moet uitgeven en in economisch goede tijden moet bezuinigen.
Hall liet in 1978 zien dat uitgaven afhangen van verwachtingen over de toekomst. Optimisme stimuleert consumenten om geld uit te geven, terwijl onzekerheid hen juist terughoudend maakt. Woodford werkte deze inzichten verder uit in economische modellen. Die bieden centrale banken handvatten om de economie bij te sturen.
De winnaars legden zo de basis voor een nieuwe keynesiaanse macro-economie, waarin economische ontwikkelingen worden verklaard vanuit keuzes van huishoudens en bedrijven.
De prijs bedraagt dit jaar twaalf miljoen Zweedse kronen, ruim een miljoen euro. Officieel is het geen Nobelprijs, maar een prijs van de Zweedse centrale bank ter nagedachtenis aan Alfred Nobel.


