Achtergrond

Reportage: ZIN – deel 2: Zingeving – de Studentenkerk

Trajectumreporter Jasmijn drinkt thee met spreuken als containment and contentment are life’s greatest gifts. Maar wat ze daar precies aan heeft, weet ze ook niet. Dus gaat ze op zoek naar zingeving. Deze aflevering: De Studentenkerk.

Pastor Erik Munneke probeert zo’n drie keer per week in De Uithof te staan. Buiten bij de draaideuren van de faculteiten. Soms bij de bibliotheek, zo rond het middaguur. De meeste studenten pakken zijn foldertje aan. Slechte reacties krijgt hij alleen als hij dezelfde persoon twee keer aanspreekt. Maar ja, ‘Ik kan natuurlijk niet alle gezichten onthouden’. De flyers zijn uitnodigingen. Om de interesse van studenten te wekken in het christelijk geloof en hen uit te nodigen voor bijeenkomsten.

De open celgroepen op woensdagavond zijn de kernactiviteit van De Studentenkerk. Het zijn een soort bijbelstudiegroepen voor christenen en voor niet-christenen. Iedereen is welkom. Je kunt als je wilt dus elke week besluiten om met zo’n celgroep mee te gaan doen. Luidt de tekst in de folder.

De celgroepen vormen de basis voor De Studentenkerk. Op deze avond houden deelnemers een bijbelstudie en gesprekken over bijbelthema’s. Iedereen is welkom, intekenen kan via de mail bij de pastor.
Erik Munneke mailt terug of ik ook mee eet, voor nog geen € 3,- kan ik aanschuiven. Dus bel ik woensdagavond iets voor zevenen aan bij een huis waar ‘Studentenkerk’ op posterformaat voor het raam hangt.

Munneke houdt de avonden in de woonkamer van zijn knusse arbeidershuis in de Utrechtse bloemenbuurt. Het is een ruimte met veel zonlicht, witte muren een licht laminaat. Aan de wand hangt een enorme afbeelding van het oude Israël, met heilige plekken en verhalende illustraties.
In de open keuken staan twee jongens te koken. Ze stellen zich voor als Anne Job (20, stoer en stil) en Roeland (25, vlot en vrolijk). Ik ben te vroeg, dus schuifel wat heen en weer. Er staat een bureau voor het raam, twee bruin leren banken en een boekenkast vol religieuze lectuur. Op de onderste plank een stereo en een stapel cd’s waarvan ik de artiesten niet ken. ‘In iedere muziekstroming is wel een christelijke variant’, vertelt de pastor die mijn blik volgt.
Op een bank ligt een gitaar. Roeland pakt hem op en begint er op te pingelen. Voor hem ligt een liedboek met akkoordenschema’s opengeslagen. Hij noemt zich een enthousiaste christen en grapt dat hij de celgroepen bijwoont voor zijn ‘wekelijkse portie Jezus.’ Anne Job legt ondertussen de laatste hand aan het eten.

Na zijn opleiding bedrijfsecometrie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam besluit Erik Munneke zijn doctoraal theologie in Utrecht te volgen. Tijdens deze studie gaat hij op zoek naar een studentenkerk. Die is er niet. En zo begint hij met het organiseren van celgroepen aan huis. ‘We huren af en toe een ruimte maar hebben geen eigen vaste kerk’, zegt hij. ‘Dat zouden we wel willen, maar dat is financieel helaas nog niet haalbaar.’ Munneke is volledig afhankelijk van giften. ‘En dan mik ik bij studenten inderdaad op de verkeerde doelgroep’, lacht hij.

Op dit moment telt De Studentenkerk dertig vaste, actieve bezoekers. Ondanks het verloop is het aantal redelijk stabiel. ‘We staan naast studenten ook open voor young professionals’, zegt Munneke. ‘Je hoeft niet weg als je bent afgestudeerd, maar meestal gebeurt dit wel, door bijvoorbeeld verhuizing.’

De bel met galmend effect blijft rond half zeven rinkelen. Langzaam stroomt de huiskamer vol. Er nemen acht deelnemers plaats op de banken. Munneke installeert zich in de kring op een bureaustoel. Vandaag ben ik de enige nieuweling. Suzanne (24) is voor de tweede keer aanwezig.
Er wordt geïnformeerd naar haar tentamenweek. ‘Ik heb een beetje stress’, geeft ze toe. Maar het tentamen waar ze vorige keer voor gebeden hebben, heeft ze gehaald met een 7,9. Er klinkt een klein applaus. Jan (31) vertelt over zijn lopende sollicitaties, Roeland heeft nieuws over zijn stage.

De borden komen op tafel, een dampende wok met rijst en groenten in het midden. Vlak voor het eten wordt er gebeden. Ik vouw mijn handen en bid mee. Daarna scheppen we op. Bord op schoot, een glaasje sap bij de hand.
Omdat ik nieuw ben, zijn er veel vragen: of ik nog studeer, in Utrecht woon, waar ik het liefst over schrijf, waarom ik eigenlijk geen vlees eet. Pas daarna wordt er voorzichtig gepolst of ik geloof. Ik vertel dat op een christelijke school heb gezeten, maar niet gelovig ben opgevoed. Meteen realiseer ik me dat dit niet echt een antwoord is. Dat vindt Roeland ook. ‘Maar je zegt niet dat je niét gelooft’, concludeert hij.
Even sta ik op het punt om te zeggen dat ik wel ergens in geloof, iets te mompelen over de wereld tussen hemel en aarde. Maar bedenk me dat zo’n cliché statement geen zin heeft. ‘Jij gelooft wat jij gelooft’, is mijn antwoord voor Roeland. ‘Dat vind ik mooi. Ik heb dat alleen niet. Ik geloof in mijn eigen kracht.’
Hij denkt dat het komt omdat God zich nog nooit aan mij heeft openbaart of omdat ik er nog niet klaar voor ben. Roeland vertelt dat hij niet altijd zo enthousiast is geweest en pas sinds een jaartje of drie volledig overtuigd is in zijn geloof. ‘Het geloof het mooiste dat er is.’ Hij meent het, lijkt intens gelukkig en zegt het een zekerheid die ik bewonder. De anderen beamen zijn gevoel, maar voelen zich minder geroepen om dit aan mij te etaleren.

Ik vraag me af hoe de gelovigen in het gezelschap tegenover andere religies staan. ‘Er is maar één God en dat is de onze, die van de christenen’, zegt Roeland resoluut. ‘Die waar anderen in geloven, daar geloof ik niet in.’ Hij kijkt mij aan. ‘Maar is het niet zo dat iedereen een andere benaming geeft en dat we het stiekem gewoon over dezelfde God hebben?’, vraag ik. Hij schudt nee. ‘Er is maar één god’, zegt ie. ‘Dat is die uit de Bijbel.’

We krijgen dubbelvla.

Nu ze weten wat voor vlees ze in de kuip hebben, lijkt iedereen wat meer op zijn gemak en open. Het geloofsvraagstuk wordt even neergelegd. Tijdens het toetje wordt er vooral veel over de studie gepraat. En over werk. Michiel (24), naast me woont met enige regelmaat de celgroep bij. Hij is gestopt met zijn studie filosofie op zoek naar verdieping. Hij sluit zich aan bij de woensdagen omdat hij meer over het geloof wil weten. Om zijn horizon te verbreden. ‘Ik geloof niet’, bevestigt hij, ‘maar ben wel geïnteresseerd. Het is zo’n belangrijk aspect binnen onze de samenleving. Ik vind het zonde dat niet-christenen er zo weinig over weten.’
Hij geeft toe dat er tijdens de celgroep soms uitspraken worden gedaan waar hij het fundamenteel niet mee eens is. Wanneer er dergelijke onderwerpen worden aangesneden, gaat Michiel er wel tegenin en ‘ontstaan er interessante discussies.’ Dit is de kracht van de celgroep, vindt hij. Alles is bespreekbaar.

Er is meer tussen hemel en tentamen, zo luidt de slogan van de kerk. Als het aan Munneke ligt niet lang meer. Want De Studentenkerk is de horizon aan het verbreden en hoopt zo een nieuwe doelgroep te bereiken: de young professionals. Daarom biedt Munneke voor deze doelgroep een Alpha-cursus aan, een bijbelstudie voor geloofsdummies. Hier kunnen mensen bijgespijkerd worden en kennismaken met het geloof. De bedoeling van de cursus is dat je in contact komt met mensen die in dezelfde fase zitten, waarmee je stevige diepgaande gesprekken kunt voren, met bijbelthema’s als leidraad.
Voor de celgroepen is zo’n kennismaking met het geloof niet nodig. ‘Als je weet wie de hoofdpersoon in de Bijbel is, kom je al een heel eind’, grapt Roeland. De rest lacht mee. Het valt op dat de studenten onderling betrokken zijn en aandachtig luisteren naar elkaar. Los van het religieuze karakter, lijkt de celgroep een moment waar je met leeftijdsgenoten de week evalueert. Ik voel me redelijk op mijn gemak. Pas wanneer het theoriegedeelte begint, voel ik me voor het eerst een vreemde eend in de bijt. Als iedereen luidkeels uit het liedboek begint mee te zingen.

Above all powers
Above all things
Above all nature and all created things
Above all wisdom and all the ways of man
You were here before the world began
Above all kingdoms
Above all thrones
Above all wonders the world has ever known
Above all wealth and treasures of the earth
There’s no way to measure what You’re worth

Crucified
Laid behind the stone
You lived to die
Rejected and alone
Like a rose trampled on the ground
You took the fall
And thought of me
Above all

Het klinkt als een zoete ballade. De samenzang heeft iets onroerends. Ik deun mee op de muziek. ‘Mooi’, zeg ik als ze klaar zijn met zingen. ‘Doen jullie dit ter bevordering van de saamhorigheid?’ De studenten beginnen te grinniken. Munneke legt uit dat zingen een vorm van communicatie met God is. Door middel van muziek maak je contact. Ik knik.
Na het gezang volgen de getuigenissen. In dit rondje vertellen deelnemers wanneer zij afgelopen week de aanwezigheid van God hebben gevoeld. Suzanne vertelt over het behalen van een tentamen, Roeland voelde de kracht tijdens zijn sollicitatie. Anne Job spreekt over zijn belijdenis die zondag heeft plaatsgevonden. ‘Heel tof, want nu konden mijn vrienden ook zien wat ik bedoel.’ Jan had een inspirerende mailwisseling.
Munneke zelf vertelt over de gebedsgenezings-samenkomst die hij afgelopen zondag heeft gehouden: door middel van gebed met handoplegging kon God verschillende mensen genezen van rugklachten en botontkalking. ‘Heel cool om te zien.’ Hij vertelt ook over het ter plekke groeien van te korte benen waardoor de rugklachten verdwenen. ‘Ik zei nog tegen de jongeren: “pak je mobieltje en film dit, zodat anderen het ook kunnen zien.”’ Ik vraag onder welke naam het op YouTube staat. Hij begint te lachen ‘nee, nee, nog niet’. De rest van de groep voelt mijn argwaan en begint Munneke bij te vallen met eigen genezingsverhalen. ‘Het klinkt bijna als magie’, zeg ik. Een stomme opmerking, blijkt. Roeland: ‘Dat noem je geen magie, dat noem je een wonder.’

Misschien was ik vooringenomen, maar het valt me op hoe makkelijk de leden in de groep over het geloof praten. Ik mag alles vragen. Ze letten goed op of ik alles begrijp en zijn behulpzaam in het opzoeken van teksten tijdens het bijbellezen.
Als niet gelovige hoef ik niet mee te bidden of te zingen. Na mijn eetgebed ben ik dan ook afgehaakt. Uit de bijbelstudie heb ik net geleerd dat je moet geloven vanuit je hart. Ik deed net alleen mee voor de vorm omdat ik het anders oneerbiedig vond.

Het is inmiddels negen uur. De meeste celgroepers hebben elders een afspraak. Ik blijf over met Erik, Anne Job en Roeland. We zijn bij het laatste onderdeel aangekomen. ‘Mogen we voor je bidden?’ vraagt Roeland. ‘Als jullie dat willen’, antwoord ik. Tijdens het rondje spreken ze blessings voor elkaar uit. Ze bidden voor de Alphacursus, de voortgang van De Studentenkerk en gezondheid. Ze bidden ook voor mijn gezondheid, vragen of God zich aan mij wil openbaren en een handtekening in mijn hart wil zetten, ze bidden voor mijn carrière en voor een mooi artikel. Tijdens het gebed voel ik de oprechtheid en raakt ik stiekem ontroerd door de aardige woorden.
Na het gebed is het programma voorbij. Ik bedank voor het eten en de gastvrijheid. Erik vraagt of ik nog een keer langskom. Hij hoopt dat ik het licht ooit zal zien, ik antwoord sceptisch dat ik het dan laat weten. Roeland vermoedt dat ik er nog niet klaar voor ben, maar denkt dat het nog komt. Ik pak mijn fiets. Erik zwaait me uit.

Op weg naar huis vraag ik me af of ik daadwerkelijk bezinning heb gevonden. Gezellig, ja dat was het. Leerzaam ook, ongedwongen en open. Ik heb vanavond interessante gesprekken gevoerd met mensen die ik in mijn directe omgeving niet vind. Helemaal los van het geloof heb ik in deze avond een zekere bezinning gevonden. Door het delen met en luisteren naar elkaar. Het zingen, de saamhorigheid. Misschien niet helemaal de bedoeling van de celgroepen, maar zeker inspirerend voor een geloofsdummy zoals ik.