Heel fijn dat hbo-studenten voor flexibele opleidingen kunnen kiezen, maar pas op: ook deze studenten hebben enige structuur nodig, zegt de Inspectie van het Onderwijs. HU-directeuren herkennen het probleem. ‘Maar het mag niet leiden tot de conclusie dat we minder moeten flexibiliseren.’
Een voorbeeld: verpleegkundigen met een mbo-diploma kunnen blijven werken én in hun eigen tempo doorstuderen aan de Hogeschool Rotterdam. Hun kennis en vaardigheden kunnen ze meenemen. Deze ‘flexibele’ opleiding verschilt dus van de hbo-opleiding verpleegkunde die je na de havo kiest.
Het gaat dus om opleidingen zonder vast curriculum die toch een erkend diploma uitreiken. In 2016 begon een experiment hiermee en sinds 2024 is deze vorm van onderwijs wettelijk toegestaan voor opleidingen met een flinke ‘praktijkcomponent’. Naar schatting 22 duizend studenten volgen zo’n studie.
Zulke opleidingen zijn er ook in de economie, techniek en bij de lerarenopleidingen. Maar let op: ‘Je hebt veel zelfsturing en een onderzoekend vermogen nodig’, waarschuwt hogeschool Avans bij een opleiding voor onderwijsassistenten die leraar in het basisonderwijs willen worden.
En die zelfsturing is precies waar de Inspectie van het Onderwijs zich zorgen over maakt: hoe gaat zoiets in de praktijk? De meeste studenten zullen enige structuur nodig hebben.
Niet overal goed ingericht
‘We kregen signalen dat die structuur niet overal goed is ingericht’, schrijft hoofdinspecteur Alida Oppers. ‘Daarom onderzochten we de wijze waarop begeleiding, het studieplan en het sociaal welzijn van studenten in de praktijk worden georganiseerd en hoe studenten en onderwijsprofessionals dat ervaren.’
De inspecteurs hebben bijna 1.500 studenten en ruim driehonderd docenten en begeleiders van achttien verschillende hogescholen een vragenlijst laten invullen. Daarna volgden groepsinterviews bij tien instellingen.
De uitkomst: het moet iets gestructureerder. De opleidingen moeten studenten niet alleen flexibiliteit bieden, zegt de inspectie, maar ook ‘houvast’. En daar ontbreekt het weleens aan.
Een kwart van de ondervraagde studenten ervaart een gebrek aan structuur en een iets groter deel krijgt juist door de flexibiliteit last van studiedruk. Het is hun bovendien niet altijd duidelijk wat er van hen verwacht wordt, blijkt uit de enquête.
De binding met docenten en medestudenten is ook niet zo sterk, wat misschien logisch is bij een flexibele opleiding: je maakt niet echt deel uit van een cohort. Maar toch, hoe meer contact de studenten met hun begeleiders hebben, hoe minder ze zulke knelpunten ervaren.
Meesten tevreden
Het punt van de inspectie is niet dat het nu verkeerd gaat. De meeste studenten zijn tevreden. Ze maken vooraf een studieplan en hebben regelmatig contact met hun eigen begeleider. Maar waar kunnen die studenten op terugvallen als hun begeleider een andere baan krijgt of als dat studieplan in de praktijk niet wordt gebruikt?
De inspectie waarschuwt: ‘Wanneer de kwaliteit van begeleiding en de betekenis van het studieplan primair afhangen van de inzet en het inzicht van individuele professionals, is dat kwetsbaar.’
Studenten die ‘toevallig een toegewijde begeleider treffen’ hebben een betere uitgangspositie dan andere studenten. Hetzelfde geldt als ze een hogeschool treffen die het studieplan serieus neemt (en dat plan niet als een formaliteit afvinkt).
Verduidelijken
De aanbevelingen? De hogescholen moeten iets meer structuur aan de flexibele opleidingen geven, zodat ze minder afhankelijk zijn van die ene specifieke begeleider. En het ministerie zou de regels rond het studieplan moeten verduidelijken.
Flexibel onderwijs kan een ‘inclusieve onderwijsvorm’ zijn, meent de inspectie, maar het is een risico als het studiesucces te sterk afhangt van individuele veerkracht en toevallige omstandigheden. ‘Dat zou een gemiste kans zijn voor studenten die minder vanzelfsprekend voor zichzelf opkomen, minder vertrouwd zijn met zelfsturing en meer houvast nodig hebben om hun traject succesvol af te ronden.’
Hogeschool Utrecht
Hogeschool Utrecht biedt ook flexibel onderwijs. Betrokken directeuren herkennen voor een deel de kritiek uit het rapport. ‘Terecht’, vindt Mark Tammer directeur Institute for Design & Engineering. ‘Herkenbaar’, meldt Anita Bosman, directeur Instituut voor ICT. Maar, vullen beiden aan: die kritiek nemen we al serieus.
Bosman: ‘Flexibel onderwijs werkt alleen goed als vrijheid en structuur met elkaar in balans zijn. Bij Open-ICT hebben studenten veel keuzevrijheid in wat zij inhoudelijk willen leren. Maar het onderwijsproces kent juist een duidelijke en vaste structuur. We werken met agile- en scrumprincipes, met vaste sprints, terugkerende momenten en heldere afspraken over voortgang. Studenten werken in projectgroepen samen en hebben iedere twee weken een individueel coachmoment. Ze krijgen begeleiding van een vast team van coaches, zodat zij niet afhankelijk zijn van één begeleider.
Je moet studenten stap voor stap begeleiden naar meer zelfstandigheid. Van taakgericht werken in het eerste jaar naar steeds complexere, meer open vraagstukken in de jaren daarna. De toetsing is gebaseerd op tien heldere vaardigheden die aansluiten op het landelijke HBO-i-kader. Onze ervaring is dat flexibiliteit niet hetzelfde hoeft te zijn als vrijblijvendheid. Juist de combinatie van veel vrijheid in wát studenten leren en veel houvast in hóe zij leren, maakt flexibel onderwijs sterk.’
Maatschappelijke opdracht
Tammer herkent het beeld dat Bosman schetst. ‘In een breder kader geldt: dit kan niet leiden tot de conclusie dat we minder moeten flexibiliseren. Integendeel, als hogeschool hebben we de maatschappelijke opdracht om mensen in staat te stellen zich gedurende hun hele loopbaan te blijven ontwikkelen. Voor student-professionals, die leren combineren met werk, gezin en andere verantwoordelijkheden, past daar niet vanzelfsprekend een vast onderwijsprogramma op één tempo en op vaste momenten bij.
De echte opgave is daarom niet kiezen tussen flexibiliteit óf structuur, maar flexibiliteit professioneel organiseren. Een student-professional moet kunnen voortbouwen op wat hij of zij al kent en kan, in een passend tempo kunnen leren en het onderwijs kunnen verbinden aan vraagstukken uit de beroepspraktijk.
Tegelijkertijd moeten verwachtingen, begeleiding, sociale verbinding en de organisatie van het onderwijs helder en betrouwbaar zijn. De complexiteit voor de student-professional moet in het onderwijsprogramma zitten, niet in de context en het ‘managen’ van de studie.’


