De ongelijkheid is een ‘graat in de keel’ van de onderwijsminister, maar ze heeft geen geld om de studiefinanciering van mbo’ers te verhogen tot het niveau van hbo- en wo-studenten. Tenzij de Tweede Kamer iets verzint.
Thuiswonende mbo-studenten krijgen een iets lagere basisbeurs dan studenten in het hoger onderwijs: het scheelt zo’n twintig euro per maand. Zo zijn er meer verschillen, maar het is duur om die weg te nemen: het zou jaarlijks bijna 400 miljoen kosten.
In debat met de Tweede Kamer maakte onderwijsminister Rianne Letschert meermaals duidelijk dat de ongelijkheid haar dwarszit. ‘Het is echt een graat in de keel.’

Maar dit kabinet gaat het probleem niet oplossen. Het stelt andere prioriteiten. Eén daarvan is het verhogen van de basisbeurs voor uitwonende studenten met 50 euro per maand. Het kabinet trekt daar 110 miljoen euro voor uit.
Maar ook dat geld gaat voornamelijk naar hbo’ers en wo’ers, waarschuwde Mikal Tseggai van oppositiepartij PRO (voorheen GroenLinks-PvdA). Mbo’ers wonen immers relatief vaak nog bij hun ouders.
Tseggai zou mbo-studenten graag meer geld geven. Op de vraag hoe ze dat wilde financieren verwees ze naar haar partijprogramma: ‘Daarin kunt u zien dat wij meer geld vragen van grote bedrijven en mensen met veel vermogen.’
Studentensport is al ‘druk’
De Tweede Kamer is de laatste jaren tamelijk eensgezind over het belang van het mbo, in lijn met de ‘waaiergedachte’ van voormalig onderwijsminister Robbert Dijkgraaf. Dat wil zeggen: mbo, hbo en wo staan naast elkaar, niet boven of onder elkaar.
Maar in de praktijk worden mbo’ers toch achtergesteld. Dat zit hem niet alleen in de studiefinanciering, maar bijvoorbeeld ook in de huisvesting en andere studentenvoorzieningen zoals sport, cultuur en verenigingen.
HU-student Leo Hanhart
De verschillen beperken zich volgens sommige mbo’ers niet tot de studiefinanciering. In Trajectum vertelde HU-student Leo Hanhart in oktober 2022 dat hij als mbo’er altijd was uitgesloten van delen van het studentenleven. Zo was hij geweigerd bij sportvoorzieningen en had het lastiger bij zijn zoektocht naar huisvesting.
Ook kreeg Hanhart bij een sollicitatie te horen dat hij 500 euro per maand minder zou verdienen dan een hbo-afgestudeerde voor hetzelfde werk. ‘Ik ben boos geworden en heb op de tafel geslagen’, zei Hanhart. ‘Zoveel aannames, bepaald door de eerste drie letters van je opleidingsniveau, werden mij even te veel.
Na vier mbo-opleidingen, studeerde hij daarna Open-ICT aan de HU. ‘De onzichtbare muur is weg’, zei hij daarover. ‘Ik ben welkom in alle clubs en meisjes deinzen niet terug als ik vertel wat ik studeer. Daarnaast zijn er ineens meer baankansen tegen een betere vergoeding en allerlei nieuwe voorzieningen waarvan ik gebruik kan maken. Fantastisch!’
De Tweede Kamer én de minister willen graag dat die voorzieningen beter toegankelijk worden voor mbo’ers. Maar voorlopig blijft het bij praten en aanmoedigen, bleek uit het debat.
Letschert liet bijvoorbeeld doorschemeren dat ze hogescholen en universiteiten geen verplichting gaat opleggen om mbo’ers toe te laten tot bijvoorbeeld hun sportvelden. Voorzieningen zijn nu vaak al drukbezocht, zei de minister, en ze worden door onderwijsinstellingen in de lucht gehouden voor hun eigen studenten.
Geen maatregelen
Of gaat ze toch iets afdwingen? Letschert hield de deur op een kier. Het minderheidskabinet heeft tien zetels te weinig voor welk plan ook. Het zou best kunnen dat de coalitiepartijen voor een meerderheid moeten onderhandelen met PRO, zowel in de Tweede als Eerste Kamer de grootste oppositiepartij. Maar voorlopig blijven de verschillen dus bestaan.
HOP, Olmo Linthorst


