Met een grote sprong staat ze er ineens: ‘Ha!’ De goedlachse Samira El Moussaoui (39) is moeder van drie kinderen, verpleegkundige op een cultuursensitieve afdeling in Overvecht en student verpleegkunde aan de HU. Uit ruim 800 nominaties werd ze verkozen tot Zorgprofessional van het Jaar 2026. Ze verloor haar vader en twee broers, en maakte van die ervaring een gids voor zorgverleners.
Je bent uitgeroepen tot Zorgprofessional van het Jaar. Hoe was dat moment?
‘Ik kende de verkiezing niet eens. Na de zomervakantie werd ik gebeld dat ik genomineerd was, en ik mocht niks zeggen. Terwijl er een cameraploeg op mijn werkvloer stond! Op de dag van de uitslag zat ik met mijn manager te praten over onze nieuwe cultuursensitieve afdeling. Er werd aangeklopt, ze keek heel gek en ik dacht: er gebeurt iets. Toen stond de jury voor de deur. Mijn schoonzus bleek me genomineerd te hebben, omdat zij van dichtbij ziet wat ik doe, op mijn werk en daarbuiten.’
Waarom ging je de zorg in?
‘Als jong meisje zat ik in een touringcar op vakantie toen een meneer onwel werd. Een inzittende zei tegen een mede-reiziger: jij bent toch verpleegkundige, jij kunt ingrijpen. Toch deed ze niks. Dat is me altijd bijgebleven: als er iets gebeurt, wil ik kunnen helpen.’
‘Jaren later kreeg mijn eigen vader een hartstilstand. Ik werkte al in de zorg en heb hem zelf moeten reanimeren – gelukkig overleefde hij het. Sindsdien weet ik hoe snel het kan gaan. Maar ook hoe weinig een diagnose vertelt over een mens. Ik wil weten wie iemand is, en wat er voor die persoon toe doet.’

Wat is voor mensen in het verpleeghuis belangrijk?
‘In het verpleeghuis zijn we er niet om te behandelen, maar om te verzorgen. Hoe maak je de tijd die iemand nog heeft zo comfortabel en gelukkig mogelijk? Ik vind stamppot af en toe lekker, jij misschien elke dag, omdat je dat gewend bent vanuit je cultuur.’
‘Dit zijn mensen met een heel leven achter de rug. Ik ga niet voor hen bepalen hoe hun dag eruitziet, ik wil meebewegen met wat zij belangrijk vinden. Behandel je iedereen hetzelfde, dan lever je geen persoonsgerichte zorg. En het is niet ingewikkeld, integendeel. Het geeft je ruimte om te begrijpen waar iemand vandaan komt.’
Er staat veel druk op de zorg. Wat zeg je tegen collega’s die zeggen: dit is een verpleeghuis, geen hotel?
‘Nee, het is geen hotel. Het is iemands thuis. Iemand heeft al zoveel moeten inleveren: zelfstandigheid, een vertrouwde omgeving, soms een stukje eigen regie. Moeten we dan ook nog bepalen hoe iemand zijn dag invult? Persoonsgerichte zorg kost niet altijd extra tijd. Het zit in kleine dingen: vragen hoe iemand zijn koffie drinkt, of rekening houden met het tijdstip waarop hij graag opstaat. We zijn soms zo druk met zorgen voor mensen dat we vergeten te vragen wat voor hen belangrijk is.’

Je hebt zelf ook veel verlies ervaren. Hoe bepaalt dat hoe je naar die bewoners en hun families kijkt?
‘Mijn vader zat na een herseninfarct in een rolstoel. Hij was er nog, maar eigenlijk ook niet. Dat is levend verlies, en dat gevoel zie ik nu terug bij familieleden op mijn afdeling. Daarna verloor ik hem, en later ook mijn twee broers. Wat er precies met haar broers is gebeurd, laat Samira liever in het midden. Het was heel heftig, maar het heeft me gevormd. Ik kijk niet meer angstig naar de dood. Ik denk dat we er juist iets moois uit kunnen halen als we ons erop voorbereiden.’
Je zegt dat we ons kunnen voorbereiden op de dood. Hoe doe je dat, en wat had jij zelf gemist toen je vader stierf?
‘Door erover te praten, ook al is het niet leuk. Je bent hier als mens op aarde, dus hoe mooi is het als je wens al ergens vastligt en je een waardig afscheid kunt krijgen? Bij mijn vader had ik iemand naast me gewild die zei: Samira, wij weten wat de rituelen zijn – want hij was net als ik Islamitisch. Dan hoefde ik niet de hele tijd alert te zijn op wat er moest gebeuren en wat belangrijk was voor hem en in ons geloof.’ Voor moslims gaat het dan bijvoorbeeld om het bed richting Mekka draaien, vertelde ze eerder aan NPO Radio 1.
‘Daarom heb ik twee boekjes gemaakt voor zorgverleners, over levend verlies en over de laatste levensfase. Wat zeg je wel en wat niet tegen naasten? Stel dat een zoon zegt: ik weet dat mijn vader doodgaat, maar vertel het hem niet. Op school leer je: volg de wet, dan ben je gedekt. Je hoeft niets achter te houden, het gaat erom hóé je het vertelt. Ga juist dat gesprek aan met z’n drieen. Ik ben er heilig van overtuigd dat verpleegkundigen die rol graag op zich nemen.’

Je werkt op een cultuursensitieve afdeling. Wat is dat en waarom is het belangrijk?
‘Ik werk op een afdeling met een islamitische grondslag, in Overvecht, een wijk vol diversiteit. Dat betekent dat we de zorg afstemmen op iemands achtergrond, waarden en rituelen. Een bewoner wil bijvoorbeeld door iemand van hetzelfde geslacht verzorgd worden, er wordt halal gegeten en er is ruimte voor een gebedsmoment. Bij mensen met dementie geven vertrouwde geuren, smaken en rituelen herkenning en rust. Eten is zoveel meer dan voeding.’
‘En dat persoonlijke is hard nodig. We leven in een samenleving vol diversiteit, maar de drempel om ouderen met een migratieachtergrond te bereiken is nog hoog. Ook als ze professionele zorg nodig hebben, lijkt de stap naar een verpleeghuis nog groter. Daar spreek ik me over uit: kom bij ons kijken.’
Je bent bijna afgestudeerd. Wat leerde je niet op de opleiding?
‘We krijgen vooral mee dat mensen hun autonomie en regie moeten behouden en zoveel mogelijk zelf moeten doen. Maar dat gaf mij het gevoel dat je afstand houdt, terwijl ik juist dichtbij wil zijn. Wie ben jij? Als ik iemand kan helpen met een t-shirt aandoen, dan doe ik dat graag, ook als diegene het zelf kan. Dat bouwt vertrouwen op.’
‘Het hoeft niet allemaal protocol- of richtlijngericht te zijn. Ik ben verrijkt met kennis op de HU, absoluut, maar mijn blik op de zorg komt niet van school. Die komt uit mijn eigen ervaring. Echt naar de mens kijken die je voor je hebt, dat leerde je niet op school. Palliatieve en terminale zorg waren altijd keuzemodules, ook op het mbo.’

En hoe zou het dan wel moeten?
‘Het begint bij de vraag: wie heb je voor je? Op de opleiding leer je kijken naar de richtlijn en de organisatie, maar niet naar de persoon. Dat moet vanaf het begin meekomen, dan krijgt de nieuwe generatie het vanzelf mee. Ik weet hoe het voelt als mensen niet verder kijken dan wat ze zien. Na zoveel verlies vond ik rust in mijn geloof. Als daar een hoofddoek bij hoort, dan draag ik hem met liefde.
‘Maar sindsdien leek het alsof Samira zonder hoofddoek meer gewaardeerd werd dan Samira met. Ik hoor weleens: ‘Ik wil niet iemand met een hoofddoek aan mijn bed hebben staan.’ Dan denk ik: je weet niet wat je mist. Ik ben niet veranderd als mens. Een hoofddoek zegt net zo weinig over een persoon als een neuspiercing… (ze kijkt me lachend aan) … of een tatoeage. Ga het gesprek aan, wees nieuwsgierig, en je ziet het vanzelf.’
Wat wil je nog betekenen voor de opleiding?
‘Ik wil met het bestuur aan tafel zitten en kijken wat zij verstaan onder passende zorg. Over vijf jaar hoop ik dat de keuzevakken, zoals terminale zorg, standaard zijn geworden. Dit zijn misschien geen grote stappen, maar wel een verschuiving. Dit vraagt om een lange adem, maar ik heb veel liefde voor dit vak. Ik wil van betekenis zijn voor de mensen die op mij zitten te wachten als ik binnenkom.’



