Wat begon als een verre waarschuwing, veranderde binnen enkele weken in een realiteit van lege campussen en online colleges. Ook studenten en docenten van de HU moesten zich razendsnel aanpassen aan een nieuwe manier van werken en leren. Hoe hebben ze dit ervaren? En wat kan er beter, de volgende keer?
Op 20 januari 2020 publiceerde de Volkskrant een artikel over een nieuw en gevaarlijk virus dat om zich heen greep in Wuhan. Hogescholen en universiteiten waren zich toen al bewust van de ernst, maar er was nog geen reden voor paniek, vonden ze.
Dat veranderde op 25 februari 2020, toen in Noord-Italië een grote corona-uitbraak plaatsvond. Binnen twee weken steeg het aantal besmettingen naar duizenden. Onderwijsinstellingen gingen daar dicht. Het RIVM waarschuwde toen al: ‘Bij een flinke uitbraak (dat was toen nog verre van realistisch) kan het kabinet ook in Nederland de deuren van het onderwijs sluiten.’
De HU op slot
Twee dagen later werd ook in Nederland de eerste coronabesmetting vastgesteld. De HU hield toen nog vast aan de lijn dat er ‘geen reden is om mensen zomaar in quarantaine te plaatsen’, en volgde de richtlijnen van RIVM en overheid. Maar een week daarna versnelde alles.
Studenten riepen op tot sluiting, het kabinet verbood grote colleges en de HU schakelde in rap tempo over op online onderwijs. Vanaf 15 maart 2020 was er geen fysiek onderwijs meer. Cvb-voorzitter Jan Bogerd zei daarover: ‘Het onderwijs zoals we het kennen, komt niet meer terug.’
De plotselinge overgang naar online onderwijs
Voor docenten betekende het een radicale omslag. Karlijn Schoonenberg, docent Integrale Veiligheidskunde, werkte in die periode grotendeels op de HU en zag de lege campus van dichtbij. ‘Ik was een van de uitzonderingen. Tijdens de coronaperiode was mijn zoon twee jaar oud en mocht ik hem naar het kinderdagverblijf hier op het Science Park brengen. Daarna zat ik hier, op de tweede etage van Padualaan 101, met uitzicht op de weilanden. Dat voelde vooral bevreemdend.’

Online lesgeven bleek bovendien intensief. ‘Meestal gaf ik anderhalf tot twee uur lang les. Het kostte veel extra energie om de aandacht van studenten vast te houden en in contact met hen te blijven. Juist dat contact was een van de belangrijkste redenen waarom ik het onderwijs ben ingegaan.’
Schoonenberg vond dat de HU docenten beter had kunnen ondersteunen in die omschakeling: ‘Van de ene op de andere dag moesten we opeens alles online doen. We hadden hierin zelf te veel uit te zoeken wat het beste werkte.’ Tegelijkertijd zag ze ook iets blijvends veranderen. ‘Dat hybride werken vind ik een positief gevolg. Ik werk nu vaker thuis en doe meer online, wat daarvoor geen optie was. Dat geeft vrijheid.’
Onderwijs dat verandert van vorm én inhoud
Online lesgeven dwong Asha Mechielsen om het onderwijs opnieuw uit te vinden. ‘Tijdens de coronaperiode werkte ik thuis, zoals bijna iedereen. Mijn kinderen mochten naar de opvang en mijn man bleef in een magazijn werken. Daardoor zat ik urenlang alleen aan de keukentafel.’

Ze merkte al snel dat online twee uur achter elkaar praten niet werkte. Na een tijdje zag ik de studenten afhaken, dan bleven ze bijvoorbeeld te lang in de les zitten terwijl die al was afgelopen, of dan reageerde ze niet meer op mijn vragen. Daarom ben ik gaan werken met break-out rooms. Dat zijn kleinere online ruimtes waarin studenten zelfstandig in groepjes konden werken. Ik ging die groepjes vervolgens één voor één langs om te kijken of ze ook echt bezig waren.’
Maar belangrijker dan techniek was voor haar de verschuiving in aandacht. ‘Wat ik vooral merkte, is dat onderwijs voor mij in die periode om veel meer draaide dan de lesstof. Ik was veel meer bezig met hoe het met studenten ging. Ik vroeg vaak: “Kom je nog buiten? Sport je nog? Hoe gaat het met je?” Het welzijn van studenten werd op dat moment bijna belangrijker dan de inhoud van mijn les.’
Die intensieve periode laat bij haar ook gemengde gevoelens achter. ‘Achteraf denk ik dat we veel meer in mogelijkheden hadden moeten denken. Sommige maatregelen vond ik lastig te begrijpen. Dat de scholen dicht moesten, vind ik achteraf een onverstandig besluit.’ Tegelijk nuanceert ze dat direct: ‘Ik verwijt niemand iets.’ Wat vooral blijft hangen is de onzekerheid. ‘Bij iedere persconferentie dacht je: oh jee, wat nu weer?’
Chaos thuis

‘De woonkamer was eerst gewoon mijn werkplek’, vertelt Bette Prakke was docent bij de master educational needs. Maar toen mijn kinderen daar ook online les gingen volgen, werd het chaos. Dus toen hebben mijn man en ik op zolder snel een klein werkkamertje gemaakt.
‘De grootste uitdaging in die periode was het combineren van onze eigen werkplanning met de schoolplanning van de kinderen. De jongste zat in groep acht en de oudste zat op de middelbare school. Maar het lesgeven zelf ging verrassend goed. Ik gaf vooral les aan docenten. Zij moesten op hun beurt ook weer online lesgeven. Daardoor hadden ze veel begrip. We vonden het zo goed gaan dat we na corona ook deels zijn doorgegaan met online.
De HU heeft het prima gedaan, vindt Prakke. ‘Ik had heel sterk het gevoel dat ik onderdeel was van de hogeschool. Het voelde als een hele verbindende tijd. Zo sprak de voorzitter van het college iedereen online toe en probeerde iedereen elkaar te helpen.’
Studenten tussen scherm en eenzaamheid
Waar docenten zochten naar nieuwe vormen van onderwijs, ziet Babette van Gool, coach en medewerker aan de HU, achteraf vooral de sociale kant van de crisis. Ze sprak veel studenten in die tijd, en nu nog steeds. ‘Wat mij vooral opviel, was dat veel studenten zich steeds verder gingen terugtrekken. Voorheen kwamen ze elkaar vanzelf tegen in de gangen, de bibliotheek of de kantine. Tijdens corona vielen die spontane ontmoetingen weg.’

Dat had langdurige gevolgen, ziet Gool. ‘Sommige studenten vertelden mij dat ze dagenlang nauwelijks een gesprek voerden dat niet over studie ging. Daardoor voelden ze zich niet alleen eenzaam, maar verloren ze ook een stuk van hun zelfvertrouwen. Vooral eerstejaars vielen volgens haar tussen wal en schip. ‘Juist zij beginnen aan een nieuwe fase in hun leven en moeten vrienden maken, hun weg vinden op een nieuwe opleiding en wennen aan meer zelfstandigheid.’
‘Ook studenten die in een studentenhuis woonden, hadden het moeilijk’, benadrukt Gool. ‘Ze zagen steeds dezelfde gezichten en onderlinge irritaties liepen soms hoog op.’
Motivatie bergafwaarts

‘Ik weet nog hoe ik een zit/sta-bureau kocht om gemotiveerd te blijven’, vertelt Pepijn van der Putten, student Journalistiek. ‘Maar het ging snel bergafwaarts. Ik leefde in een constante sleur waarin ik voortdurend op in kamer zat. Op een gegeven moment bleef ik in bed liggen en loog ik dat mijn camera het niet deed. En dan merk je ook: dat liggen helpt absoluut niet bij je concentratie.’
Het isolement werd voor hem extra zwaar door de situatie thuis. ‘Het isolement werd erger doordat ik voorzichtiger moest zijn vanwege mijn zieke vader. Hij kreeg in die tijd een hartinfarct en raakte half-verlamd. Hierdoor moest hij een tehuis in, daar zocht ik hem vier keer per week op. Ik was zijn enige bezoeker en zag weinig mensen buitenshuis. Ik mocht écht geen corona krijgen; ik wilde hem en de andere patiënten niet in gevaar brengen. Mijn moeder raakte ik een jaar eerder kwijt, aan borstkanker.’
Geen diploma-uitreiking
Ook Sara Kremer, student Social Work, herinnert zich hoe haar opleiding en sociale leven veranderden. Voor haar begon de coronaperiode al tijdens haar middelbareschooltijd: ‘Ik zat in de examenperiode voor mijn mavo-diploma. Geen feestjes of een gezamenlijke diploma-uitreiking, maar een kale drive-through. Ook de examens gingen niet door, mijn papiertje kreeg ik door verslagen te schrijven.’

‘Ik voelde me geïsoleerd, terwijl ik een sociaal persoon ben. Ik was veel aan het appen, videobellen en online gamen met vrienden.’ Die verslagen maakte Sara thuis: ‘Aan de keukentafel. Mijn moeder scharrelde daar dan een beetje omheen en zorgde voor het eten. Mijn zus bedacht een beloningssysteem: een zak M&M’s voor elk afgeschreven stuk. Dat werkte wel, haha.’
Paniekvoetballen
Ook student Arthur Provoost, student Social Work, merkte hoe groot het gemis aan persoonlijk contact was. ‘Studeren vond ik zwaar. Alle lessen waren online. Ik volgde ze in bed, met mijn pyjama nog aan. Het echte, persoonlijke contact miste ik enorm. “Je ziet er vermoeid en ongeïnteresseerd uit”, kreeg ik terug van docenten. En ze hadden gelijk. Uiteindelijk heb ik samen met de decaan en mijn SLB’er besloten om de verslagen te laten zitten en alleen mijn stage af te ronden.’

Tegelijkertijd kijkt Arthur met begrip terug op de keuzes van de HU. ‘Achteraf vind ik het te makkelijk om de HU op de vingers te tikken. Of ze iets beter konden doen? Vast, maar zij speelden ook paniekvoetbal. Docententeams zijn in een gat gesprongen, terwijl ze geen idee hadden wat ze te wachten stond. Sociaal contact op studie is toen verwaterd, maar de HU kon hier weinig in betekenen.’
Terug naar de campus, maar niet terug naar ‘normaal‘
Vanaf juni 2020 kwam er voorzichtig weer ruimte voor fysiek onderwijs. Daarna volgden periodes van versoepeling, beperkingen, mondkapjes (wie moest daarop handhaven?) , omstreden proctoring en opnieuw sluitingen. In 2021 kwamen de (niet zo veel gebruikte) zelftesten, en studenten mochten geleidelijk weer een dag per week naar de campus. CvB-voorzitter Jan Bogerd waarschuwde toen al: ‘Het is niet zo dat alle studenten die ene dag op de hogeschool colleges zullen volgen van negen tot vijf. Dat is niet reëel.’
Coach Van Gool betreurt dat die terugkeer niet automatisch het herstel van sociaal contact betekende. ‘Je zou denken dat ze daarna weer massaal gingen afspreken, knuffelen en kletsen, maar dat gebeurde niet. Ze bleven elkaar online ontmoeten.’
Een blijvende digitale verschuiving
Die digitale gewoonte blijft tot op de dag van vandaag hangen, ziet ze. ‘Het grootste probleem vind ik dat studenten enorm veel tijd achter een scherm zijn gaan doorbrengen. Onderwijs en sociale contacten verliepen destijds vrijwel volledig online, maar nu nog steeds blijven ze elkaar online ontmoeten. Dat zijn ze gewend geraakt, en door alle nieuwe apps is het bovendien veel verleidelijker geworden.’
Terugkijkend ziet Van Gool vooral een les voor de toekomst. ‘Mocht zoiets ooit opnieuw gebeuren, dan zou ik adviseren om studenten te verplichten hun camera aan te zetten. Je moet elkaar blijven zien om verbonden te blijven.’ En breder dan dat, laat docenten vooral blijven vragen hoe het met hun studenten gaat. Dan maar iets minder lesinhoud en iets meer aandacht voor het sociale contact.’
Meer rust
Voor sommige studenten bracht de periode ook nieuwe inzichten. ‘De crisis heeft me geleerd om meer rust te nemen’, vindt Sara. ‘Ik deed altijd veel te veel: judo, drie bijbaantjes en dan ook nog vriendinnen zien. Nu kan ik ook genieten van een avondje bankhangen.’
Pepijn kijkt terug op de rol van begeleiding: ‘Ik heb vrienden die met pijn terugkijken op de coronatijd. Ik vond het geen fijne tijd, maar ik zag ook hoe mijn SLB’er haar best deed, door te vragen hoe het met ons ging en een keertje extra te mailen.’
Voor Arthur bleef vooral de ontdekking van de waarde van contact met anderen hangen: ‘Ik heb een depressief verleden en vlak na een hele zware periode leerde ik hoeveel energie ik krijg van het zorgen voor anderen. Daar zet ik me nu extra voor in.’


